Bouwbesluit Online 2012


Hoofdstuk 2 Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van veiligheid

Algemeen

Onderwerp van dit hoofdstuk is het door bouwtechnische voorschriften waarborgen van de kwaliteit van een gebouw en daarmee de veiligheid te waarborgen van de mensen in en om dat gebouw. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van eventuele materiële schade aan een bouwwerk. Dat aan een conform de voorschriften van dit hoofdstuk gebouwd bouwwerk minder gauw schade zal ontstaan is hooguit een afgeleid effect.

Dit hoofdstuk is vergeleken met hoofdstuk 2 van het Bouwbesluit 2003 ingeperkt als gevolg van het vervallen van voorschriften, het samenvoegen van oude afdelingen en voorschriften het verplaatsen van een aantal onderwerpen naar hoofdstuk 6. Belangrijk zijn de introductie van de Euroklassen en de nieuwe systematiek voor subbrandcompartimentering en vluchten. De Eurocodes zijn in de afdelingen voor constructieve veiligheid en sterkte bij brand voor nieuwbouw opgenomen, terwijl voor de bestaande bouw de Nederlandse constructienormen (TGB’s) van toepassing blijven (zie verder hierna afdeling 2.1). Zie voor de nieuwe systematiek voor subbrandcompartimentering het algemeen deel van de toelichting en afdeling 2.11. Verder zijn de voorschriften voor de afscheiding van een vloer, een trap en een hellingbaan voortaan opgenomen in één nieuwe afdeling 2.3. Dit heeft als voordeel dat er geen sprake meer kan zijn onbedoelde verschillen in eisen met betrekking tot de afmetingen. De voorschriften voor de draairichting en zelfsluitendheid van deuren, droge blusleiding, brandslanghaspel, elektriciteit en noodstroomvoorziening, verlichting, gasvoorziening en toegang van een woongebouw zijn naar hoofdstuk 6 verplaatst. In dit besluit is geen afdeling voor grote brandcompartimenten opgenomen. Grote brandcompartimenten kunnen voortaan worden gerealiseerd met een beroep op gelijkwaardigheid. Zie ook de toelichting op artikel 1.3.

Afdeling 2.1 Algemene sterkte van de bouwconstructie

Algemeen

Bij het onderwerp constructieve veiligheid werd in het Bouwbesluit 2003 verwezen naar de nationale constructienormen, ofwel de zogenoemde TGB’s (Technische grondslagen voor bouwconstructies). Inmiddels zijn op initiatief van de Europese organisatie voor normalisatie (CEN) voor dit onderwerp Europese constructienormen (Eurocodes) tot stand gekomen. Met de inwerkingtreding van dit besluit worden deze Eurocodes ofwel NEN-EN’s aangewezen. Met de invoering van de Eurocodes is een belangrijke stap gezet in de Europese marktharmonisatie voor de bouwsector. Opgemerkt wordt dat in de Eurocodes ook de randvoorwaarden zijn opgenomen voor constructieve productspecificaties ten behoeve van de CE-markering voor bouwproducten. Om een goede aansluiting op het in een specifieke lidstaat gebruikelijke veiligheidsniveau te waarborgen kunnen de lidstaten elke Eurocode van een eigen nationale annex (bijlage) voorzien. Bepaalde onderdelen, die in de NEN-EN zelf als «informatief» (adviserend) zijn aangemerkt, kunnen in de nationale bijlage «normatief» (verbindend) zijn verklaard. In de Nederlandse nationale bijlagen zijn deze voor Nederland van belang zijnde keuzes en verder noodzakelijke parameters, formules, tabellen en teksten vastgelegd. De inhoud van deze nationale bijlagen is door de TGB-normcommissie in een zogenoemde afstemmingsfase (kallibratiefase) vastgesteld. Iedere NEN-EN voor constructieve veiligheid moet dus in samenhang met de bijbehorende nationale bijlage worden gelezen. De in dit hoofdstuk gebruikte begrippen sluiten zo veel mogelijk aan op de begrippen die in de Eurocodes worden gebruikt.

§ 2.1.1 Nieuwbouw

Artikel 2.1 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen is voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten, maakt duidelijk dat de constructie van een bouwwerk zo moet zijn dat het bij het beoogde gebruik niet kan bezwijken. In de prestatie-voorschriften is aangegeven van welke belastingen en welke gebruiksduur (ontwerplevensduur), afhankelijk van het soort bouwwerk, moet worden uitgegaan.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 2.2 Fundamentele belastingscombinaties

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een bouwconstructie gedurende de ontwerplevensduur (duurzaam) bestand is tegen de krachten die op die bouwconstructie werken. De ontwerplevensduur, zoals beschreven in NEN-EN 1990, is de periode gedurende welke een constructie of een deel ervan te gebruiken is voor het beoogde doel, rekening houdend met het voorziene onderhoud, maar zonder dat ingrijpend herstel nodig is. De hoofdregel is dat een gebouw, zoals in NEN-EN 1990 is aangegeven, 50 jaar moet meegaan.

De fundamentele belastingcombinaties zijn combinaties van nader aangegeven gelijktijdig optredende permanente en veranderlijke belastingen. Permanente belastingen zijn bijvoorbeeld het eigen gewicht van een constructie. Voorbeelden van veranderlijke belastingen zijn belastingen door meubilair, machines en personen.

In het Bouwbesluit 2003 werd voor het berekenen van bovengenoemde fundamentele belastingcombinaties verwezen naar NEN 6702. Voor zover de op een bouwconstructie werkzame krachten niet met NEN 6702 konden worden bepaald, werd verwezen naar NEN 6700. Deze nationale norm is in het Eurocodestelsel vervangen door NEN-EN 1990 «Grondslagen van het constructief ontwerp». Deze basis-Eurocode is van toepassing op die belastingcombinaties waar in het verleden NEN 6700 en 6702 op van toepassing waren. In principe is met de invoering van de Eurocodes inclusief de bijbehorende nationale bijlagen, afdeling 2.1 Algemene sterkte van de bouwconstructie, vergeleken met de gelijknamige afdeling uit het Bouwbesluit 2003 inhoudelijk ongewijzigd gebleven.

NEN-EN 1990 verwijst voor de verdere specificatie van de verschillende belastingsoorten door naar Eurocodereeks NEN-EN 1991 (resp. NEN-EN 1991-1-1 tot en met 1991-1-7). Bij het bepalen of een constructieonderdeel van een bouwwerk niet zal bezwijken moeten de op een bouwwerk werkzame krachten altijd worden bepaald met behulp van NEN-EN 1990 in samenhang met de relevante norm uit de belastingsserie NEN-EN 1991.

Opgemerkt wordt dat de Eurocodes ook voorzien in eisen aan de constructieve veiligheid van kassen, zodat daarvoor voortaan geen apart voorschrift meer nodig is.

Artikel 2.3 Buitengewone belastingscombinaties

Het eerste lid stelt een eis aan de sterkte en stabiliteit van een bouwwerk of een gedeelte daarvan bij buitengewone belastingscombinaties. Uitgangspunt hierbij is dat een bouwconstructie die direct wordt belast zelf wel mag bezwijken zolang dit maar niet leidt tot het bezwijken van andere bouwconstructies dan bouwconstructies die in de directe nabijheid liggen. Als een constructieonderdeel bezwijkt mogen direct in de nabijheid gelegen constructieonderdelen bezwijken. Dit mag echter niet bij verderop gelegen bouwconstructies gebeuren omdat dat zou kunnen leiden tot een voortschrijdende instorting. Vergeleken met artikel 2.2 uit het Bouwbesluit 2003 is het voorschrift niet inhoudelijk gewijzigd. In de nationale bijlage bij NEN-EN 1991-1 tot en met NEN-EN 1991-7 zijn de bekende buitengewone (bijzondere) belastingen opgenomen die bij de beoordeling van een ontwerp een rol spelen. Dit betreft stootbelastingen door voertuigen, treinen en schepen, belastingen door binnengasexplosies, belastingen door extreem toegenomen (grond)waterstanden, het effect van storm bij geopende ramen en deuren, en het effect van het verlies van een stabiliteitsvoorziening van een ander gebouw

In het tweede lid worden de voorschriften gegeven voor het niet bezwijken van een dak of van een vloerafscheiding als gevolg van een calamiteit (bijvoorbeeld iemand die op het dak struikelt of hard tegen een vloerafscheiding valt of geduwd wordt). Deze stootbelasting is opgenomen in de nationale bijlage bij NEN-EN 1991-1-1.

Artikel 2.4 Bepalingsmethode

Dit artikel bevat de bepalingsmethoden waarmee kan worden nagegaan of het bouwwerk voldoet aan het gestelde in de artikelen 2.2 en 2.3.

Het eerste lid van dit artikel verwijst naar de normen waarin eigenschappen van bekende materialen zijn vastgelegd. In die normen is per bouwmateriaal beschreven hoe de op een bouwconstructie aangrijpende krachten daarin doorwerken wat betreft momenten, normaal- en dwarskrachten en spanningen. Deze doorwerking, die mede afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons genoemd. Voorts bevatten deze normen rekenregels waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten en spanningen of combinaties daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand.

De nationale normen NEN 2608 en NEN 6707 voor respectievelijk glas (e) en de bevestiging van dakbedekkingen (f) zijn gehandhaafd. Voor deze onderwerpen zijn nog geen Eurocodes voorhanden.

Het tweede lid bepaalt dat bij toepassing van andere materialen en bepalingsmethoden het niet bezwijken van een constructie moet worden bepaald met NEN-EN 1990.

Het derde lid geeft een voorschrift voor een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woning en van een logiesfunctie. In dergelijke gevallen mag rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorzieningen van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort. Dit betekent dat bij de beoordeling van de standzekerheid van een rijtjeswoning of een geschakelde vakantiewoning rekening mag worden gehouden met bijvoorbeeld het windverband (specifieke stabiliteitsvoorziening) van een belendende woning of logiesfunctie. Bij alle andere gebruiksfuncties moet aan alle eisen die aan de stabiliteit worden gesteld, zelfstandig (binnen de grenzen van het eigen perceel) worden voldaan.

Artikel 2.5 Verbouw

Artikel 2.5 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij moet worden uitgegaan van het niveau zoals aangegeven in NEN 8700. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Zie hiervoor ook het algemeen deel van toelichting.

§ 2.1.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.6 tot en met 2.8

Zie de toelichting op § 2.1.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt het volgende opgemerkt. Evenals bij nieuwbouw het geval is wordt voor het beoordelen van de constructieve veiligheid van bestaande gebouwen voortaan gebruik gemaakt van Europese normen. Omdat de Eurocodes in beginsel gericht zijn op nieuwbouw, zijn voor bestaande bouw de afwijkingen van de Eurocodes beschreven in NEN 8700. NEN 8700 bevat de grondslagen van de beoordeling van de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken en is dus gebaseerd op de Eurocodes. Deze norm kan worden gezien als aanvulling voor bestaande bouw op NEN-EN 1990 met bijbehorende nationale bijlage en de daaraan verbonden andere normen in de Eurocodereeks (NEN-EN 1991-1 tot en met NEN-EN 1991-7). Vanuit deze norm wordt dan ook veelvuldig naar die normen verwezen.

De functionele eis bij bestaande bouw geeft aan dat de bouwconstructie gedurende de restlevensduur voldoende bestand moet zijn tegen de daarop werkende krachten. De hoofdregel voor nieuwbouw dat een gebouw, zoals in NEN-EN 1990 is aangegeven, 50 jaar moet meegaan is hier dus niet van toepassing. Bij bestaande bouw is de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur doorslaggevend. Uitgangspunt voor bestaande bouw is dat de bouwconstructie op het moment van beoordelen nog net voldoende veilig moet zijn. Bij beoordeling daarvan wordt uitgegaan van de in NEN 8700 beschreven (korte) restlevensduur met bijbehorende belastingscombinaties.

Afdeling 2.2 Sterkte bij brand

Algemeen

In deze afdeling wordt geregeld dat er geen of slechts beperkte voortschrijdende instorting mag plaatsvinden als gevolg van brand. In het Bouwbesluit 2003 werd hierbij gewerkt met het begrip «hoofddraagconstructie bij brand» dat was gedefinieerd in NEN 6702. De Eurocodes die in de plaats van NEN 6702 zijn gekomen, kennen dit begrip echter niet meer. De eisen in deze paragraaf zijn zo geformuleerd dat zij inhoudelijk overeenstemmen met de eisen uit het Bouwbesluit 2003 zonder dat gebruik wordt gemaakt van begrip hoofddraagconstructie bij brand. Ook het begrip «overschrijden van de uiterste grenstoestand» is vervangen door: bezwijken.

§ 2.2.1 Nieuwbouw

Artikel 2.9 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is, is vergeleken met het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 2.10 Tijdsduur bezwijken

Dit artikel bevat de eisen inzake de tijdsduur van bezwijken van bouwconstructies in het geval van brand. Uitgangspunt hierbij is dat het sub- of brandcompartiment waarin een brand heerst mag bezwijken, zolang dit binnen een bepaalde tijdsduur maar niet leidt tot het bezwijken van bouwconstructies buiten dit sub- of brandcompartiment. Het gaat om het voorkomen van voortschrijdende instorting: er bezwijkt een bouwconstructie door brand en hierdoor bezwijken andere bouwconstructies, bijvoorbeeld omdat zij afhankelijk zijn van de draagkracht van deze bouwconstructie. Het door hitte bezwijken van glazen ramen boven het brandende compartiment valt hier bijvoorbeeld buiten.

Het eerste lid geeft een voorschrift voor een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert. Dit voorschrift heeft betrekking op de bescherming van vluchtroutes. Bij brand in een subbrandcompartiment mogen de vluchtroutes buiten dit subbrandcompartiment niet binnen 30 minuten bezwijken. Dit geldt voor alle vluchtroutes dus niet alleen voor beschermde of extra beschermde vluchtroutes. Met dit voorschrift is beoogd dat vluchtroutes die nog niet onbruikbaar zijn geworden door rook en/of vuur, ook niet onbruikbaar worden als gevolg van het bezwijken van een vloer, trap of hellingbaan onder of boven de vluchtroute. Daarbij is er van uitgegaan dat iedereen binnen 30 minuten na het begin van de brand een veilige plaats kan hebben bereikt en dat de brandweer tijd heeft om het bouwwerk te doorzoeken op eventueel daarin achtergebleven personen. Een vluchtroute die binnen het subbrandcompartiment waarin de brand is ligt mag wel onbruikbaar worden als gevolg van bezwijken omdat deze vluchtroute toch al onbruikbaar is door rook en vuur. Aan het eerste lid van artikel 2.10 is bij Stb. 2014, 51 toegevoegd dat het voorschrift niet geldt voor de vloer van een buitenruimte van een woonfunctie. Hiermee is een onbedoelde verzwaring ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 weggenomen. Over een vloer van een buitenruimte voert weliswaar een vluchtroute, maar het is, evenals in het Bouwbesluit 2003, niet nodig om hieraan een eis wat betreft de sterkte bij brand te stellen.

Uit de in het tweede lid aangewezen tabel 2.10.1 volgt gedurende welke tijd een bouwconstructie van een woonfunctie bij brand niet mag bezwijken. Het gaat hier om een brand in een ander brandcompartiment dan waarin de woonfunctie ligt en de effecten van die brand op de bouwconstructies van die woonfunctie. Dit betekent praktisch gezien dat bij brand in een woning de bouwconstructie bij de aangrenzende buren mag bezwijken, maar niet bij de buren van de buren. Het bezwijken bij brand mag namelijk niet tot een voortschrijdende instorting leiden. De tweede volzin geeft een uitzondering voor het geval dat aangrenzende brandcompartiment waar de brand is ook een woonfunctie is. In dat geval behoeft de bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte niet te voldoen aan de uit de tabel volgende tijdsduur dat er niet bezweken mag worden. Met andere woorden voor bijvoorbeeld een balkon in een woongebouw gelden deze eisen niet. Dit betekent echter niet dat de aangrenzende subbrandcompartimenten (woningen) onmiddellijk mogen bezwijken. Op grond van artikel 2.94 geldt tussen woningen namelijk ook een eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van 30 of 60 minuten (wbdbo). Die eis impliceert namelijk ook een mate van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken. Uit tabel 2.10.1 volgt dat de tijdsduur tot het bezwijken afhankelijk is van de hoogte van de vloeren van een woonfunctie. De gebruiksfunctie en de hoogte van de vloeren van het brandcompartiment waar de brand wordt veronderstelt is hierbij niet relevant.

De eis van het tweede lid wordt op grond van het derde lid met 30 minuten verminderd indien de woonfunctie of het woongebouw waarin die woonfunctie ligt een geringe permanente vuurbelasting heeft (niet meer dan 500 MJ/m²). Dit is met name het geval wanneer het gebouw is vervaardigd van materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, zoals bijvoorbeeld baksteen. Ook mag de woning of het woongebouw geen vloer van een verblijfsgebied hebben die hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.

Het vierde lid bevat een eis voor utiliteitsgebouwen waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau. De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken moet voor die bouwwerken ten minste 90 minuten bedragen. Het gaat hier niet om de hoogte waarop de brand in het bouwwerk kan ontstaan maar om de hoogste vloer van enig verblijfsgebied van de gebruiksfunctie waarop dit voorschrift van toepassing is.

Het vijfde lid stelt eisen aan verblijfsgebieden in kinderopvang met bedgebied, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en logiesverblijven. Uit tabel 2.10.2 volgt dat de voorgeschreven tijdsduur van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken afhankelijk is van de hoogte van vloeren. Ook hier gaat het niet om de hoogte waarop de brand kan ontstaan maar om de hoogste vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie waarvoor het voorschrift geldt.

Het zesde lid bevat voor utiliteitsfuncties een soortgelijke beperking van de eisen als in het derde lid voor woonfuncties is geregeld. Het gaat hier om gebouwen waarvan de permanente vuurbelasting van alle constructieonderdelen tezamen niet of nauwelijks een bijdrage levert aan brand. In de praktijk betekent dit dat er een minder zware eis wordt gesteld aan gebouwen van steenachtig materiaal.

Het zevende lid geeft een uitzondering op het vijfde en zesde lid voor niet in een logiesgebouw gelegen logiesfuncties (vakantiehuisjes) met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m².

Het achtste lid geeft aan dat de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m ten minste 60 minuten moet bedragen.Voorzover de tunnel onder open water ligt is deze periode 120 minuten. Indien bij brand een gedeelte van een tunnelbuis dat onder open water ligt bezwijkt, bestaat het gevaar dat de gehele tunnelbuis in korte tijd onder water komt te staan. Daardoor kunnen vluchtenden en hulpverleners, ook in gedeelten van de tunnel die niet direct door de brand worden bedreigd, in een levensbedreigende situatie komen. Om dit te voorkomen zal de bouwconstructie van het deel van de tunnel dat onder open water ligt gedurende langere tijd niet mogen bezwijken. Met «open water» wordt hier een rivier, waterbekken, zeearm, kanaal, meer of daarmee in verbinding staand water bedoeld, waardoor een vrijwel onbeperkte hoeveelheid water kan toestromen. Zou de tunnelwand bezwijken, dan is het noodzakelijk om de waterkerende functie te herstellen voordat de tunnel kan worden drooggepompt. Dit is in een tunnel die vol water staat een tijdrovende en kostbare aangelegenheid. Ook daarom is een langere periode van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken hier zinvol.

Het negende lid heeft betrekking op bouwwerken die geen gebouw zijn. Dit kan uiteen lopen van bruggen tot tribunes en van zendmasten tot verdeelkasten voor de kabeltelevisie. De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken moet afhankelijk van het soort bouwwerk en het gebruik daarvan zodanig zijn dat het bouwwerk bij brand kan worden verlaten en doorzocht. Dit zal van geval tot geval sterk kunnen verschillen. Om die reden is hier volstaan met een functionele eis, die het bevoegd gezag voor het individuele geval moet kwantificeren.

Hoewel de eisen in artikel 2.10 lid 1, 2, 4, 5 en 9 worden gesteld aan de te beschermen bouwconstructies buiten het compartiment waar de brand is, wordt de eis impliciet gesteld aan de bouwconstructies van het brandende compartiment zelf. De te beschermen bouwconstructie zelf worden namelijk niet belast door brand. In de praktijk wordt daarom de sterkte bij brand van de bouwconstructies van het brandende compartiment berekend. Als aangetoond is dat deze bouwconstructies gedurende de geëiste tijdsduur niet bezwijken, dan is daarmee ook aangetoond dat te beschermen bouwconstructie buiten het compartiment niet (voortschrijdend) bezwijken.

Artikel 2.11 Bepalingsmethode

Het eerste lid geeft aan op welke buitengewone belastingscombinaties moeten worden aangehouden bij het bepalen of een bouwconstructie bezwijkt.

Het tweede lid geeft aan welke normen worden toegepast bij de toetsing op de tijdsduur voor bezwijken. Ook hier zijn de zogenoemde TGB’s (Technische grondslagen voor bouwconstructies) vervangen door de Eurocodes. De in de onderdelen a. tot en met f. genoemde Eurocodenormen bevatten berekeningsmethoden voor diverse materialen. Voor niet in deze Europese normen genoemde materialen en enkele bijzondere combinaties van materialen moet de tijdsduur met betrekking tot bezwijken nog steeds worden bepaald volgens NEN 6069.

Artikel 2.12 Verbouw

Artikel 2.12 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 2.10 en 2.11 zijn van overeenkomstige toepassing waarbij in plaats van het in artikel 2.10 aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en waarbij, in afwijking van artikel 2.11, eerste lid, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand. Zie voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau» de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

§ 2.2.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.13 tot en met 2.15

Zie de toelichting op paragraaf 2.2.1, Nieuwbouw.

Afdeling 2.3 Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan

Algemeen

Deze afdeling bevat de voorschriften voor vloerafscheidingen, trapafscheidingen en afscheidingen van hellingbanen. In deze afdeling zijn de voorschriften met betrekking tot afscheidingen uit de oude afdelingen 2.3 (Vloerafscheiding), 2.5 (Trap) en 2.6 (Hellingbaan) opgenomen. Het doel van deze afdeling is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan kunnen vallen.

§ 2.3.1 Nieuwbouw

Artikel 2.16 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, trap en een hellingbaan zo veel mogelijk wordt voorkomen, is gebaseerd op de oude functionele eis voor vloerafscheiding, onder toevoeging van de trap en de hellingbaan.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Met de wijzigingen in de onderdelen G, H en I van Stb. 2013, 75, is invulling gegeven aan de motie Van Bochove c.s. (Kamerstukken II 2011/2012, 32 757, nr. 13) tot het opnemen van een meer uitgebreide regeling voor het voorkomen van overklauterbaarheid bij ramen in voor kinderen bestemde ruimten. Met de aanpassing van tabel 2.16 worden de artikelen 2.19, tweede lid, en 2.20, eerste lid (artikel 2.20, oud) voortaan aangestuurd voor alle gebruiksfuncties, behalve industrie en bouwwerken geen gebouw zijnde. Hierdoor wordt de overklauterbaarheidseis uitgebreid naar alle bouwwerken waar mogelijkerwijs kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig kunnen zijn. Aan de artikelen 2.19 en 2.20 is vervolgens een lid toegevoegd met als strekking dat de eisen van artikel 2.19, tweede lid, respectievelijk artikel 2.20, eerste lid (nieuw), niet van toepassing zijn op vloerafscheidingen in een gedeelte van een gebouw dat niet mede is bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar. Deze uitzonderingsmogelijkheden worden echter niet aangestuurd voor die gebruiksfuncties waar altijd kinderen jonger dan 12 jaar te verwachten zijn (zoals bij kinderopvang en basisscholen). Alle ruimten in dergelijke gebruiksfuncties moeten dus voldoen aan de overklauterbaarheidseisen.

Artikel 2.17 Aanwezigheid

Het doel van dit artikel is aan te geven in welke situaties er voorzieningen aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan nodig zijn.

Het eerste lid geeft het basisvoorschrift voor een vloerafscheiding bij een hoogteverschil tussen de rand van een voor personen bestemde vloer en de aangrenzende vloer, terrein of water. Indien het hoogteverschil niet groter is dan 1 m is een vloerafscheiding niet nodig. Bij een valhoogte minder dan 1 m, wordt het risico beperkt geacht.

Het tweede lid geeft een soortgelijk voorschrift voor een trapafscheiding aan de zijkant van een trap. De zijkanten van een trap moeten evenals de randen van een vloer zijn voorzien van een afscheiding. Het zou te ver voeren zo’n afscheiding te verlangen voor een lage trap van bijvoorbeeld vier treden. Daarom is de grens gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1 m. Bij trappen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een trapafscheiding is het niet nodig een afscheiding te hebben bij de onderste meter van de trap.

Het derde lid regelt hetzelfde voor een hellingbaan. Wel zal over de gehele lengte van de hellingbaan de in artikel 2.45 voorgeschreven geleiderand aanwezig moeten zijn.

Het vierde lid benadrukt dat op de plek waar een trap of een hellingbaan aansluit op de vloer geen vloerafscheiding behoeft te zijn.

In het vijfde lid is aangegeven in welke situaties er, ongeacht het hoogteverschil met de aangrenzende vloer, het terrein of het water geen vloerafscheiding nodig is. Voorbeelden hiervan zijn een podium en een laadperron.

Artikel 2.18 Hoogte

De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 1 m.

Bij een hoogteverschil tussen een vloer en een aangrenzende vloer, terrein of water van meer dan 13 m is op grond van het tweede lid een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m voorgeschreven.

Het derde lid bevat in afwijking van de voorgaande leden een lagere minimumeis (0,85 m) voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden hiervoor is dat een raam een zekere bescherming biedt tegen vallen. Bij een raam dat open kan moet altijd een vaste borstwering aanwezig zijn met een hoogte van ten minste 0,85 m. Dit geldt niet voor een raam op de begane grond, indien het hoogteverschil met het aansluitende terrein kleiner is dan 1 m. (zie artikel 2.17, eerste lid).

Op grond van het vierde lid kan met een hoogte van 70 cm worden volstaan, indien de hoogte en de breedte van de afscheiding opgeteld ten minste 110 cm zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van ten minste 40 cm moet hebben. De minimale som van 110 cm voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Dit voorschrift biedt de mogelijkheid bij bijvoorbeeld theaters en sporthallen de hinder voor het uitzicht te beperken.

Het vijfde lid heeft betrekking op de hoogte van de afscheiding naast een trap of een hellingbaan en schrijft een minimum hoogte voor van 0,85 m. Bij een trap moet de hoogte worden gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken en bij een hellingbaan net als bij een reguliere vloer, de hoogte boven de vloer.

Artikel 2.19 Openingen

Dit artikel heeft betrekking op openingen in de voorgeschreven afscheiding zelf.

Het eerste lid geeft het basisvoorschrift voor de openingen die zijn toegestaan in een vloerafscheiding. Om dit eenvoudig te kunnen bepalen wordt de toelaatbare opening bepaald aan de hand van een bol met de in de tabel opgenomen doorsnede. Als die bol door de opening past, dan is de opening te groot.

Het tweede lid geeft een nader voorschrift voor de eerste 0,7 m boven de vloer. Een afscheiding mag in dat deel geen opening hebben die groter is dan 0,1 m. Dit nadere voorschrift geldt alleen voor woningen, kinderopvang en de basisschool. Deze bijzondere eis is niet van toepassing op een kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar, omdat daarvoor al in het eerste lid is bepaald dat in de gehele vloerafscheiding geen openingen zijn toegestaan groter dan 0,1 m. De wijzigingen in het tweede lid van artikel 2.19, gedaan bij Stb. 2013, 75, zijn redactioneel. Met de vervanging van het begrip ‘breedte’ door ‘waardoor een bol kan passeren met een doorsnede’ is het voorschrift in overeenstemming gebracht met het eerste lid van dat artikel. Verder is in het voorschrift verduidelijkt dat het gaat om de hoogte boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan.

Een vloerafscheiding mag volgens het derde lid zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding is aan voorschriften gebonden om het risico dat mensen door zo’n opening vallen of erin bekneld raken te voorkomen. De bovenregel mag onderbroken worden.

Het vierde lid stelt zeker dat die openingen in de bovenregel niet zodanige afmetingen kunnen hebben dat mensen daar doorheen kunnen vallen.

Artikel 2.20 Overklauterbaarheid

Het doel van dit voorschrift is zoveel mogelijk te voorkomen dat kleine kinderen zelfstandig over een vloerafscheiding kunnen klimmen. Tussen de 0,2 m en 0,7 m boven de vloer mag een afscheiding geen opstap mogen in hebben. Er mag dus in de vloerafscheiding bijvoorbeeld geen horizontaal vlak zijn waarop een kindervoetje past. Het voorschrift richt zich op het voorkomen van opstapmogelijkheden in constructieonderdelen en niet op meubilair of installatieonderdelen zoals een radiator of de buizen van een centrale verwarmingsinstallatie.

Het voorschrift dat er geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer mogen zijn geldt voor elke afscheiding als bedoeld in artikel 2.17, voor de woonfunctie, kinderopvang en het basisonderwijs. [Stb. 2011, 676]Artikel 2.21 Verbouw

Ook eerste lid van artikel 2.20 (was het enige voorschrift) is bij Stb. 2013, 75, zo gewijzigd dat duidelijk is dat het voorschrift betrekking heeft op vloeren, tredevlakken en vloeren van hellingbanen.

Met de aanvulling van artikel 2.20, eerste lid, in Stb. 2014, 51 is verduidelijkt dat het voorschrift niet alleen betrekking heeft op constructieonderdelen van de vloerafscheiding zelf maar ook op andere constructieonderdelen die aan (tegen) of naast de vloerafscheiding zijn geplaatst. Verder is met deze aanvulling geregeld dat bij het voorkomen van de overklauterbaarheid voortaan ook rekening moet worden gehouden met installaties. Dit is in strijd met hetgeen tot dusverre altijd heeft gegolden en ook tot uiting is gebracht in Stb. 2011, 416, zoals vorenstaand aangegeven.

Artikel 2.21 Verbouw

Artikel 2.21 geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 2.17 tot en met 2.20 zijn daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1.

§ 2.3.2 Bestaande bouw

Artikel 2.22 Aansturingsartikel

Zie de toelichting op § 2.3.1, Nieuwbouw.

Met deze redactionele wijziging van het eerste lid van artikel 2.25 in Stb. 2014, 51 is verduidelijkt dat het gaat om de hoogte boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan. Het voorschrift is daarmee bovendien in overeenstemming gebracht met het vergelijkbare nieuwbouwvoorschrift (artikel 2.19).

Artikel 2.23 Aanwezigheid

Zie de toelichting op § 2.3.1, Nieuwbouw.

Met deze redactionele wijziging van het eerste lid van artikel 2.25 in Stb. 2014, 51 is verduidelijkt dat het gaat om de hoogte boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan. Het voorschrift is daarmee bovendien in overeenstemming gebracht met het vergelijkbare nieuwbouwvoorschrift (artikel 2.19).

Artikel 2.24 Hoogte

Zie de toelichting op § 2.3.1, Nieuwbouw.

Met deze redactionele wijziging van het eerste lid van artikel 2.25 in Stb. 2014, 51 is verduidelijkt dat het gaat om de hoogte boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan. Het voorschrift is daarmee bovendien in overeenstemming gebracht met het vergelijkbare nieuwbouwvoorschrift (artikel 2.19).

Artikel 2.25 Openingen

Zie de toelichting op § 2.3.1, Nieuwbouw.

Met deze redactionele wijziging van het eerste lid van artikel 2.25 in Stb. 2014, 51 is verduidelijkt dat het gaat om de hoogte boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan. Het voorschrift is daarmee bovendien in overeenstemming gebracht met het vergelijkbare nieuwbouwvoorschrift (artikel 2.19).

Afdeling 2.4 Overbrugging van hoogteverschillen

§ 2.4.1 Nieuwbouw

Artikel 2.26 Aansturingsartikel

Deze afdeling heeft betrekking op het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen. De functionele eis van het eerste lid benadrukt dat het niet gaat om het overbruggen van hoogteverschillen door dieren of voertuigen. Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 2.27 Voorziening bij hoogteverschil

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat hoogteverschillen die groter zijn dan 0,21 m (is tevens de maximale optrede van een trap) moeten worden overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Het overbruggen van grotere hoogteverschillen zonder goed begaanbare trap of hellingbaan geeft een te groot risico.

Het voorschrift geldt alleen voor hoogteverschillen tussen de met name genoemde ruimten bij alle gebruiksfuncties, dus ook voor een woonwagen en een bouwwerk geen gebouw zijnde. Het voorschrift geldt niet voor niet met name genoemde ruimten zoals kruipruimten, bergzolders en vlieringen. Als in dergelijke gevallen toch een trap of een hellingbaan wordt gemaakt, dan behoeft die niet te voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 2.5 en 2.6.

In wegtunnels moeten, net als bij gebouwen, hoogteverschillen van meer dan 21 cm zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. In afwijking van dit eerste lid is in het tweede lid bepaald dat op de vluchtroute in de wegtunnelbuis hoogteverschillen van 30 cm zonder trap of hellingbaan zijn toegestaan. Dit voorschrift is opgenomen om te voorkomen dat randen naast de weg uit oogpunt van verkeersveiligheid te laag moeten zijn.

Artikel 2.28 Verbouw

Artikel 2.28 geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Artikel 2.27 is daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1.

Artikel 2.29 Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk is artikel 2.27 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 2.4.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.30 en 2.31

Zie de toelichting op § 2.4.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat eisen voor het overbruggen van hoogteverschillen bij bestaande bouw voortaan alleen gelden voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Aan hoogteverschillen op andere routes worden uit oogpunt van deregulering geen eisen meer gesteld. De veiligheid van bestaande routes die geen vluchtroute als bedoeld in artikel 2.112 zijn wordt overgelaten aan private partijen.

Afdeling 2.5 Trap

Algemeen

De eisen aan een trap zijn vergeleken met het Bouwbesluit 2003 vereenvoudigd. Met name het opheffen van het onderscheid tussen trappen A en trappen B heeft daar toe bijgedragen.

§ 2.5.1 Nieuwbouw

Artikel 2.32 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen trap die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 2.27 overbrugt, kan veilig worden gebruikt, is vergeleken met het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 2.33 Afmetingen trap

In het eerste lid wordt voor minimale eisen aan de afmetingen van een voorgeschreven trap (een trap als bedoeld in artikel 2.27) verwezen naar tabel 2.33. In deze tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de reguliere trap en de trap uitsluitend voor ontvluchten. De eisen aan een reguliere trap zijn onderverdeeld in eisen voor de woonfunctie en eisen voor andere gebruiksfuncties. Een trap voor een utiliteitsfunctie mag steiler zijn dan een trap voor een woonfunctie. Uit de verwijzing naar artikel 2.27 volgt dat deze eisen niet van toepassing zijn op een trap naar niet voor personen bestemde vloeren zoals vloeren van bijvoorbeeld een technische ruimte, een kruipruimte, een bergzolder, een vliering of een lichte industriefunctie. In een lichte industriefunctie zijn per definitie geen verblijfsgebied of -ruimte en daarmee ook geen voor personen bestemde vloeren. Omdat de woonwagen zich steeds meer ontwikkeld naar een reguliere woning en ook meer dan een bouwlaag kan omvatten is het voorschrift ook aangestuurd voor de woonwagen. De eisen aan de doorstroomcapaciteit van een trap (artikel 2.108) kunnen invloed hebben op de minimale breedte van de trap. De optrede van een trap bij de woonfunctie mag voortaan ten hoogste 0,188 m in plaats van ten hoogste 0,185 m zijn. Er is gebleken dat met dit geringe verschil van 3 mm per trede, het aantal treden per trap beter uitkomt bij een hoogteverschil van 3 m tussen de vloeren.

Uit het tweede lid volgt dat een enkele trap geen hoogteverschil van meer dan 4 m mag overbruggen. Bij een groter hoogteverschil zal een tussenbordes moeten worden geplaatst dat aan de afmetingseisen van artikel 2.34 voldoet.

Artikel 2.34 Trapbordes

Artikel geeft de afmetingseisen voor een trapbordes. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van een voorgeschreven trap een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de trap en een diepte (loopafstand) heeft van ten minste 0,8 m. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange trap te splitsen in twee afzonderlijke trappen (zie de toelichting op artikel 2.33). Een trapbordes is een vloer als bedoeld in de artikelen 2.107, achtste lid (inrichting van vluchtroutes) of artikel 4.23, eerste lid (vrije verkeersroute) en dient de in die artikelen voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben.

Artikel 2.35 Leuning

Elke volgens artikel 2.27 voorgeschreven trap waarmee een hoogteverschil van meer dan 1 m wordt overbrugd moet, indien de hellingshoek van die trap groter is dan 2:3 over de volledige lengte van de trap een leuning hebben. De uitzondering voor kleine trappen, die bij het Bouwbesluit 2003 uitsluitend van toepassing was op een woonfunctie, geldt nu voor elke gebruiksfunctie. Bij een trap met een hellingshoek van minder dan 2:3 behoeft geen leuning te worden aangebracht.

Artikel 2.36 Regenwerend

Uit dit artikel volgt dat een gemeenschappelijke verkeersruimte waardoor een reguliere trap voert regenwerend moet zijn. Hiermee wordt voorkomen dat woningen in een woongebouw uitsluitend bereikbaar zullen zijn via een buitentrap. Dit voorschrift geldt niet voor een trap die uitsluitend bedoeld is voor het ontvluchten (noodtrap) of indien het te overbruggen hoogteverschil kleiner is dan 1,5 m.

Artikel 2.37 Verbouw

Dit artikel geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 2.33 tot en met 2.35 zijn daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1.

§ 2.5.2 Bestaande bouw

Artikel 2.38 Aansturingsartikel

Zie de toelichting op § 2.5.1, Nieuwbouw. Er wordt op gewezen dat de eisen aan een bestaande trap voortaan alleen gelden voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Aan bestaande trappen op andere routes worden geen eisen meer gesteld. Zie ook paragraaf 2.4.2, overbrugging van hoogteverschillen, bestaande bouw.

Artikel 2.39 Afmetingen trap

Zie de toelichting op § 2.5.1, Nieuwbouw. Er wordt op gewezen dat de eisen aan een bestaande trap voortaan alleen gelden voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Aan bestaande trappen op andere routes worden geen eisen meer gesteld. Zie ook paragraaf 2.4.2, overbrugging van hoogteverschillen, bestaande bouw.

Artikel 2.40 Trapbordes

Zie de toelichting op § 2.5.1, Nieuwbouw. Er wordt op gewezen dat de eisen aan een bestaande trap voortaan alleen gelden voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Aan bestaande trappen op andere routes worden geen eisen meer gesteld. Zie ook paragraaf 2.4.2, overbrugging van hoogteverschillen, bestaande bouw.

Artikel 2.41 Leuning

Zie de toelichting op § 2.5.1, Nieuwbouw. Er wordt op gewezen dat de eisen aan een bestaande trap voortaan alleen gelden voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Aan bestaande trappen op andere routes worden geen eisen meer gesteld. Zie ook paragraaf 2.4.2, overbrugging van hoogteverschillen, bestaande bouw.

Afdeling 2.6 Hellingbaan

§ 2.6.1 Nieuwbouw

Artikel 2.42 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen hellingbaan die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 2.27 overbrugt, kan veilig worden gebruikt, is vergeleken met het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd. Uit de verwijzing naar artikel 2.27 (onderdeel van afdeling 2.4, Overbrugging van hoogteverschillen) volgt dat het gaat om een hellingbaan voor personen, al dan niet in een rolstoel, en niet om een hellingbaan voor bijvoorbeeld fietsen en auto’s.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 2.43 Afmetingen hellingbaan

Dit artikel stelt eisen aan de breedte, de hoogte en de hellingshoek van een voorgeschreven hellingbaan. De hellingshoek is afhankelijk van het hoogteverschil dat met de hellingbaan wordt overbrugd en varieert tussen de 1:12 en 1:20. Artikel 2.108 stelt uit oogpunt van brandveiligheid eisen aan de doorstroomcapaciteit van een hellingbaan. Het gaat dan om de doorstroomcapaciteit per meter vrije breedte van een ruimte, waarbij de hellingbaanvloer wordt gezien als de vloer van een ruimte. Genoemd voorschrift kan effect hebben op de breedte van de hellingbaan. Eén enkele hellingbaan mag geen hoogteverschil van meer dan 1 m overbruggen. Bij een groter hoogteverschil zal een tussenbordes moeten worden geplaatst dat aan de afmetingseisen van artikel 2.44 voldoet. Een hellingbaanvloer is een onder een hellingshoek geplaatste vloer als bedoeld in de artikelen 2.107, achtste lid (inrichting van vluchtroutes) of artikel 4.23, eerste lid (vrije doorgang verkeersroute) en moet de in die artikelen voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben.

Artikel 2.44 Hellingbaanbordes

Artikel 2.44 geeft de afmetingseisen voor een bordes bij een voorgeschreven hellingbaan. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van de hellingbaan een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de hellingbaan. De vloeroppervlakte van het bordes moet ten minste 1,4 m bij 1,4 m bedragen. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange hellingbaan te splitsen in twee afzonderlijke hellingbanen (zie ook artikel 2.43). Een hellingbaanbordes is een vloer als bedoeld in de artikelen 2.107, achtste lid (inrichting van vluchtroutes) of artikel 4.23, eerste lid (vrije verkeersroute) en moet dus de in die artikelen voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben.

Artikel 2.45 Geleiderand

Een voorgeschreven hellingbaan moet aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand hebben, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m. Dit is nodig om te voorkomen dat een wiel van bijvoorbeeld een rolstoel of rollator naast de hellingbaan terecht komt, waardoor de rolstoel of rollator kan kantelen. Een geleiderand kan onderdeel zijn van een in artikel 2.17, derde lid, bedoelde afscheiding van een hellingbaan. Met andere woorden aan artikel 2.45 kan zowel voldaan worden met een vloerafscheiding als met een handrail of leuning. Voor zover er een in artikel 2.17 bedoelde vloerafscheiding is, en deze vloerafscheiding een doorlopende bovenregel heeft is met de minimale hoogte van die vloerafscheiding van ten minste 1 m ruimschoots voldaan aan de in artikel 2.45 bedoelde minimale hoogte van 4 cm.

Artikel 2.46 Verbouw

Artikel 2.46 geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 2.43 tot en met 2.45 zijn daarop van overeenkomstige toepassing waarbij mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1.

§ 2.6.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.47 tot en met 2.49

Zie de toelichting op § 2.6.1, Nieuwbouw. Er wordt op gewezen dat de eisen aan een bestaande hellingbaan voortaan alleen gelden voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Aan bestaande hellingbanen op andere routes worden geen eisen meer gesteld. Zie ook paragraaf 2.4.2, overbrugging van hoogteverschillen, bestaande bouw.

Afdeling 2.7 Beweegbare constructieonderdelen

§ 2.7.1 Nieuwbouw

Artikel 2.50  Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen hinder veroorzaken bij het vluchten door en bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte, is vergeleken met het oude voorschrift redactioneel iets aangepast.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 2.51 Hinder

Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat beweegbare onderdelen van bouwwerken, zoals ramen, deuren en luiken, gevaar opleveren bij vluchten uit het bouwwerk, dan wel gevaar voor voorbijgangers en langskomend verkeer. Deze voorschriften gelden voortaan ook voor woonwagens. Het eerste en tweede lid hebben betrekking op beweegbare constructieonderdelen in gevels van bouwwerken die aan een weg grenzen. In zo’n gevel mogen zich tot de aangegeven hoogte slechts naar binnen draaiende deuren of ramen, dan wel schuifdeuren of schuiframen bevinden.

Het eerste lid , met een hoogtegrens van 4,2 m, heeft betrekking op situaties waarin een bouwwerk onmiddellijk grenst aan een weg waar auto’s mogen komen met inbegrip van parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en dergelijke.

Het tweede lid , met een hoogtegrens van 2,2 m, betreft situaties waarin alleen fietsers of voetgangers langs het bouwwerk kunnen komen. Het voorschrift van het tweede lid geldt niet voor een zogenoemde nooddeur. Een nooddeur mag naar buiten draaien over bijvoorbeeld een voetpad. Een nooddeur wordt uitsluitend gebruikt voor het vluchten uit een gebouw. Als men het gebouw door die nooddeur moet ontvluchten, dan weegt het veilig kunnen vluchten zwaarder dan de hinder die dat voor eventuele passanten op de niet voor motorrijtuigen openstaande weg kan opleveren.

Het derde lid heeft betrekking op beweegbare constructieonderdelen waarlangs een beschermde vluchtroute voert. Het gaat om constructieonderdelen in gangen, galerijen en trappen waardoor een beschermde vluchtroute voert als bedoeld in afdeling 2.12 (Vluchtroutes). Een kort moment van hinder als gevolg van het openen van een deur is toegestaan, mits de deur in volledig geopende stand geen hinder veroorzaakt. De constructieonderdelen moeten namelijk in geopende stand een vrije doorgang met een breedte van ten minste 60 cm en een hoogte van ten minste 2,2 m over laten. In het derde lid van artikel 2.51 is bij Stb. 2014, 51 verduidelijkt dat het alleen gaat om beweegbare constructieonderdelen waarlangs een beschermde vluchtroute voert. In het geval dat een dergelijke vluchtroute door een doorgang voert waarvan de deur vervolgens de vluchtroute hindert, is het derde lid dus niet van toepassing. In dat laatste geval moet op grond van artikel 2.107, achtste lid, een vrije breedte van ten minste 0,85 m worden gerealiseerd.

Het vierde lid maakt een uitzondering op de voorschriften van dit artikel voor de deur van een technische ruimte zoals bijvoorbeeld een meterkast of een kleine stookruimte. Dergelijke deuren vormen in de regel geen probleem omdat zij nooit van binnen uit zullen worden geopend.

Artikel 2.52 Verbouw

Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten is artikel 2.51, eerste lid, niet van toepassing. Het tweede, derde en vierde lid zijn bij verbouw dus wel van toepassing. Omdat het eerste lid van artikel 2.51 niet van toepassing is op verbouw, gelden voor dat aspect de overeenkomstige voorschriften voor bestaande bouw. Bij verbouw mag een beweegbaar constructieonderdeel dus niet hinderlijk over een voor motorvoertuigen openstaande weg draaien, maar in tegenstelling hetgeen bij nieuwbouw geldt, wel over de strook van 0,6 m grenzend aan die weg.

Artikel 2.53 Tijdelijke bouw

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 2.51, tweede tot en met vierde lid van toepassing en is het eerste lid van artikel 2.51 dus niet van toepassing. Op grond van artikel 1.14 geldt bij tijdelijke bouw artikel 2.55 in plaats van het eerste lid van artikel 2.51.

§ 2.7.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.54 en 2.55

Zie de toelichting op § 2.7.1, Nieuwbouw.

Afdeling 2.8 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

Algemeen

In deze afdeling is wat betreft de nieuwbouwvoorschriften uitgegaan van de Europese bepalingsmethoden voor het aspect «materiaalgedrag bij brand» (reaction to fire). Deze zijn geharmoniseerd in NEN-EN 13501-1. De voorheen bij nieuwbouw geboden keuzemogelijkheid tussen de Europese en de Nederlandse normen is met de invoering van dit besluit l vervallen. Bij bestaande bouw kan wel gekozen worden tussen de oude en de nieuwe systematiek (zie bijvoorbeeld artikel 2.63, tweede lid). Omdat de voorschriften van deze afdeling voor alle gebruiksfuncties gelden is geen tabel opgenomen. Dit doet recht aan het feit dat aan het gebruik van een stookplaats, schacht koker of kanaal risico’s zijn verbonden ongeacht het soort gebruiksfunctie of bouwwerk.

§ 2.8.1 Nieuwbouw

Artikel 2.56 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt, is vergeleken met de oude tekst ongewijzigd. Met het vervallen van de aansturingstabel zijn de voorschriften van deze afdeling voortaan op alle bouwwerken van toepassing, dus ook op een woonwagen en een bouwwerk geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld een gemetselde buitenhaard).

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 2.57 Stookplaats

In dit artikel worden eisen gesteld aan het brandgedrag van materiaal ter plaatse van en nabij een stookplaats. Hiermee wordt voorkomen dat er bij een stookplaats brand ontstaat. Hoewel het artikel betrekking heeft op elke stookplaats zal de in het artikel genoemde intensiteit van de warmtestraling en hoge temperatuur in de praktijk alleen voorkomen bij een open haard. Buiten de vuurhaard (stookplaats) zelf mogen materialen niet spontaan tot ontbranding komen als gevolg van warmtestraling of hoge temperatuur. Om een dergelijke zelfontbranding te voorkomen moeten de in de nabijheid van een onbeschermde verbrandingsbron toegepaste materialen voldoen aan brandklasse A1, met andere woorden onbrandbaar zijn. De onbrandbaarheid van een onder of nabij de vuurhaard gelegen bovenzijde van een constructieonderdeel zoals een vloer moet worden getoetst aan brandklasse A1fl.

Artikel 2.58 Schacht, koker of kanaal

Een brand die ontstaat in een schacht, koker of kanaal kan gemakkelijk ontsnappen aan de aandacht van de brandweer. Indien zo’n schacht, koker of kanaal langs een ander brandcompartiment voert, zou na enige tijd ook in dat andere brandcompartiment brand kunnen ontstaan. Om dit te voorkomen schrijft het eerste lid voor dat de combinatie van materialen die is toegepast aan de binnenzijde van die schacht of koker of dat kanaal over een diepte van 0,01 m moet voldoen aan brandklasse A2. Schachten, kokers en kanalen met een geringere diameter dan 15 mm behoeven niet onbrandbaar te zijn. Brandklasse A2 staat toe dat de binnenzijde van een schacht, koker of kanaal kan worden afgewerkt met bijvoorbeeld gipsplaten of een kunststof lining zoals bij renovatie van een gemetselde schoorsteen. De eis is gericht op de omhullende schacht, koker of kanaal en niet op eventueel daarin aangebrachte bekabeling of leidingen van bijvoorbeeld pvc. Uit afdeling 2.11 volgt dat brand niet via een schacht van het ene brandcompartiment naar het andere mag kunnen door- of overslaan. Uit artikel 2. 83 volgt dat een grote, voor personen betreedbare schacht in de regel in een brandcompartiment moet liggen. Daarbij geldt de in artikel 2.84 bedoelde wbdbo tussen het brandcompartiment waarin de schacht ligt en een ander brandcompartiment. In het eerste lid van artikel 2.58 vervalt op grond van Stb. 2014, 51 over «een dikte van ten minste 0,01 m, gemeten loodrecht op de binnenzijde». Deze dikte is namelijk niet relevant voor de bepaling van de brandklasse A2 volgens NEN-EN 13501-1. Daarmee ontstaan bij verbouw wel problemen, want volgens NEN 6064 is het noodzakelijk aan te geven tot welke diepte, gemeten vanaf het oppervlak, materialen onbrandbaar moeten zijn.

Het tweede lid maakt onder a een uitzondering op het eerste lid voor een schacht, koker of kanaal die uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badkamers. In die situatie behoeft een schacht, koker of kanaal niet onbrandbaar te zijn. Voor deze uitzondering is gekozen omdat het brandrisico in badkamers en toiletten in het algemeen verwaarloosbaar is. Het tweede lid onder b maakt een uitzondering op het eerste lid voor ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de binnenzijde van de schacht, de koker of het kanaal. Een dergelijk kleine hoeveelheid materiaal levert een onbeduidende bijdrage aan het risico op de ontwikkeling van brand in de schacht, de koker of het kanaal. Op grond van onderdeel c van het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op in een schacht, koker of kanaal aangebrachte buizen, kanalen of leidingen. Zodoende kunnen kunststof rioolbuizen, leidingen voor elektriciteit en kanalen voor rookgasafvoer- en verbrandingslucht worden aangebracht. Bij toepassing van brandbare materialen in schachten, kokers of kanalen tussen twee brandcompartimenten zal overigens altijd rekening moeten worden gehouden met de eisen aan de weerstand tegen branddoorslag van de afdelingen 2.10 en 2.11. Bij een in een schacht, koker of kanaal aangebrachte afvoervoorziening voor rookgas zal altijd rekening moeten worden gehouden met de voorschriften die aan een rookgasafvoerkanaal worden gesteld (zie onder meer artikel 2.59).

Artikel 2.59 Rookgasafvoer

Een afvoervoorziening voor rookgas, zoals een schoorsteen, mag niet de oorzaak zijn van het ontstaan van brand. Daarom schrijft het eerste lid voor, dat een dergelijke voorziening brandveilig moet zijn bepaald volgens NEN 6062. In deze beproevingsmethode wordt onderscheid gemaakt naar gelang het gaat om kanalen voor vaste dan wel voor andere (niet-vaste) brandstoffen. Bij die beproeving moet de voorziening zijn blootgesteld aan 1) trillingsbelastingen, 2) een luchtdichtheidsbeproeving, 3) een thermische beproeving en 4) een veegproef. Verder speelt daarbij ook de nabijheid van brandbare materialen een rol.Uiteraard kan met een beroep op gelijkwaardigheid ook op andere wijze worden aangetoond dat de brandveiligheid is gewaarborgd.

Artikel 2.60 Opstelplaats open verbrandingstoestel

Het is niet toegestaan een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel in een toilet- of een badruimte of in een stallingruimte voor motorvoertuigen te hebben. In kleine ruimtes met een open verbrandingstoestel kan namelijk snel een gevaarlijke concentratie van schadelijke verbrandingsgassen ontstaan en in een stallingsruimte voor motorvoertuigen kan een open verbrandingstoestel leiden tot brand- of ontploffingsgevaar vanwege de aanwezigheid van licht-ontvlambare (brand) stoffen.

Artikel 2.61 Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.57 tot en met 2.59 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 2.8.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.62 tot en met 2.65

Zie de toelichting op paragraaf 2.8.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat voor de bestaande bouw (de artikelen 2.63 en 2.64) voor het materiaalgedrag bij brand niet wordt uitgegaan van brandklassen als bedoeld in NEN-EN 13501-1 maar van de oude (Nederlandse) bepalingsmethoden. Deze artikelen bieden daarnaast de keuze om ook bij bestaande bouw gebruik te maken van de nieuwe systematiek. Deze keuzemogelijkheid is vooral van belang voor relatief nieuwe gebouwen.

Afdeling 2.9 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

Algemeen

In deze afdeling is evenals in afdeling 2.8, onderdeel nieuwbouw uitgegaan van de Europese bepalingsmethoden voor het aspect «materiaalgedrag bij brand» (reacton to fire). Deze zijn geharmoniseerd in NEN-EN 13501-1. De voor de invoering van dit besluit bij nieuwbouw geboden keuzemogelijkheid tussen de Europese en de Nederlandse normen is daarmee vervallen. Bij bestaande bouw kan nog wel gekozen worden tussen de oude en de nieuwe systematiek. Zie artikel 2.80. Bij de woonfunctie voor zorg (bejaardentehuizen) groter dan 500 m² gelden op grond van deze afdeling specifieke eisen. Dit betekent dat voor grote woningen > 500 m² die niet zijn bestemd voor zorg dergelijke eisen niet meer gelden.

§ 2.9.1 Nieuwbouw

Artikel 2.66 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen, is samengesteld uit de functionele eisen van de oude afdelingen 2.12 en 2.15.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

In tabel 2.66 is bij Stb. 2014, 51 voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren de brandklasse, vergeleken met de gewone industriefunctie, verzwaard van D naar B. Aan artikel 2.73 is een lid toegevoegd met een specifiek verbouwvoorschrift voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren. In dergelijke gevallen mag bij toepassing van artikel 2.67, eerste lid, niet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau maar van het nieuwbouwniveau. Met deze wijzigingen is invulling gegeven aan de politieke toezeggingen om het aantal stalbranden en het aantal dieren dat daarbij omkomt fors te verminderen (Kamerstukken II 2012/2013, 33 400, nr. 129).

Artikel 2.67 Binnenoppervlak

Het eerste lid heeft zowel betrekking op de beperking van de ontwikkeling van brand als op de beperking van de ontwikkeling van rook in een ruimte. Deze eisen zijn gericht op het voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het binnenoppervlak van constructieonderdelen respectievelijk dat zich snel een te grote rookdichtheid ontwikkelt. Beide aspecten spelen een belangrijke rol bij het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk en het beperken van de ontwikkeling van de omvang van de brand. Als niet aan deze eisen is voldaan zou voor gebruikers van dat bouwwerk onvoldoende tijd kunnen overblijven om het bouwwerk bij brand veilig te verlaten. In de tabel is opgenomen aan welke brandklasse voor een bepaalde gebruiksfunctie moet worden voldaan. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen een extra beschermde vluchtroute, een beschermde vluchtroute en overige ruimten. De vereiste rookklasse is in alle gevallen s2. De voorschriften gelden voor die zijden van een constructieonderdeel die grenzen aan de binnenlucht en dus niet noodzakelijkerwijs voor het gehele constructieonderdeel. Het onderscheid tussen logiesfuncties groter en kleiner dan 500 m² is vervallen. Dit leidt voor kleinere logiesfuncties tot een hogere eis voor een beschermde vluchtroute dan voor de invoering van dit besluit van toepassing was op een rookvrije vluchtroute. In de praktijk is zal dit niet tot problemen leiden omdat er bij kleinere logiesfuncties in de regel geen beschermde vluchtroute behoeft te zijn omdat elke uitgang van het subbrandcompartiment direct uitkomt op het aansluitende terrein.

Het tweede lid geeft een uitzondering voor de «overige gebruiksfunctie». In een overige gebruiksfunctie geldt bij een beschermde vluchtroute een eis aan de rookklasse. Overigens is een extra beschermde vluchtroute een bijzondere vorm van een beschermde vluchtroute, ook daarvoor geldt dus de eis aan de rookklasse (zie ook de toelichting op artikel 1.1). Daarbij wordt opgemerkt dat de meeste «overige gebruiksfuncties, zoals bijvoorbeeld schuurtjes, geen beschermde vluchtroute hebben, zodat voor die overige gebruiksfuncties geen eis aan de rookklasse geldt.

Met de bij Stb. 2013, 75, gewijzigde tabel 2.66 is artikel 2.71, tweede lid voortaan ook voor overige gebruiksfuncties aangestuurd en zijn de artikelen 2.73 en 2.74 voortaan ook voor de andere woonfunctie aangestuurd. Verder is de onjuiste koptekst bij de grenswaarden voor artikel 2.69 aangepast.

Artikel 2.68 Buitenoppervlak

Artikel 2.68 is wat betreft de beperking van ontwikkeling van brand vergelijkbaar met artikel 2.67. Het artikel stelt echter geen eisen aan de rookklasse, omdat de rookproductie aan de buitenzijde van een gebouw in de regel geen rol speelt bij het veilig kunnen vluchten. De voorschriften van artikel 2.68 gelden voor een zijde die aan de buitenlucht grenst. Als een constructieonderdeel niet met een of meer zijden aan de buitenlucht grenst dan is dit artikel daarop dus niet van toepassing.

Het eerste lid geeft het basisvoorschrift waaraan een zijde van een constructieonderdeel dat aan de buitenlucht grenst moet voldoen. In de tabel is afhankelijk van het soort ruimte en de gebruiksfunctie aangegeven aan welke brandklasse in een bepaald geval ten minste moet worden voldaan.

Het tweede lid bepaalt dat een gevel voor zover die hoger is dan 13 m, zodanig moet zijn samengesteld, dat een brand zich niet gemakkelijk daarlangs kan voortplanten. In deze gevallen geldt altijd de zwaardere brandklasse B. Voor de grens van 13 m is gekozen omdat een brand aan de gevel tot een hoogte van ten minste 13 m in het algemeen met gangbaar brandweermaterieel kan worden bestreden. De mogelijkheid bestaat dat een bouwwerk in brand raakt als gevolg van brandstichting in de nabijheid van dat bouwwerk.

Om te bewerkstelligen dat een buitenoppervlak van een voor personen bestemd bouwwerk, zoals een gevel of een buitenzijde van bijvoorbeeld een woongebouw, een theater, een schoolgebouw, of een kantoorgebouw, in zo’n situatie bestand is tegen vlam vatten, bevat het derde lid een speciale eis aan dit buitenoppervlak tot een hoogte van 2,5 m. Dergelijk buitenoppervlak moet ook aan brandklasse B voldoen.

Het vierde lid geeft aan dat het eerste tot en met derde lid niet van toepassing zijn op de bovenzijde van een dak. Zie ook de toelichting op artikel 2.71.

Omdat van deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen, zoals een ventilatierooster, niet kan worden verlangd dat deze voldoen aan een zwaardere klasse van brandvoortplanting dan brandklasse D is in het vijfde lid bepaalt dat bij dergelijke constructieonderdelen kan worden volstaan met brandklasse D.

Artikel 2.69 Beloopbaar vlak

De brandvoortplanting van de bovenzijde van een horizontaal vlak, met inbegrip van flauw hellende vlakken, zoals een vloer, een hellingbaan en de bovenzijde van een trap, wijkt sterk af van die van niet-horizontale vlakken. Het eerste lid geeft een voorschrift voor dergelijke vlakken die grenzen aan de binnenlucht. Daarom geldt voor dergelijke vlakken in afwijking van artikel 2.67 een rookklasse van ten minste s1fl en een in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, die afwijkt van de bij artikel 2.67 in tabel 2.66 opgenomen brandklasse. Deze specifieke brandklassen (Cfl en Dfl) zijn afgestemd op het feit dat de brandvoortplanting op een horizontaal vlak anders verloopt dan op een verticaal vlak of een vlak aan de onderzijde van een vloer of van een ander constructieonderdeel.

Het tweede lid geeft een soortgelijk voorschrift voor de brandklasse van een bovenzijde van de vloer, de trap of de hellingbaan aan de buitenlucht grenst.

In artikel 2.69 is bij Stb. 2013, 75, “een voor personen bestemde vloer” vervangen door “een vloer”. Een niet voor personen bestemde vloer kan namelijk ook vlam vatten zijn. Hierdoor zouden voor deze beloopbare delen de artikelen de artikelen 2.67 en 2.68 niet van toepassing zijn. Dit is een niet verantwoorde versoepeling ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 omdat de voorschriften in de artikelen 2.67 en 2.68 (bepalingsmethode en de brand- en rookklassen) betrekking moeten hebben op alle beloopbare vlakken. Met het schrappen van de zinsnede "voor personen bestemde" is het voorschrift weer in overeenstemming gebracht met het vergelijkbare voorschrift in het Bouwbesluit 2003 dat ook uitging van “een vloer” en niet van “voor personen bestemde vloer”.

Artikel 2.70 Vrijgesteld

Ten behoeve van het kunnen toepassen van plinten, stopcontacten en andere kleine constructieonderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, bevat dit artikel een uitzondering op de eisen inzake de brandvoortplanting en de ontwikkeling van rook. Ook voor bijvoorbeeld kunststofkozijnen kan gebruik van deze uitzondering worden gemaakt. De artikelen 2.67 tot en met 2.69 zijn niet van toepassing op een klein percentage van de oppervlakte van de desbetreffende constructieonderdelen. Concentratie van de vrijgestelde oppervlakte op één plaats is uiteraard niet de bedoeling. Het eerste lid , dat op de meeste gebruiksfuncties van toepassing is, gaat uit van 5% per afzonderlijke ruimte. Het tweede lid , dat alleen voor een bouwwerk geen gebouw zijnde geldt, gaat uit van 5% van de totale oppervlakte aan constructieonderdelen van het bouwwerk.

Artikel 2.71 Dakoppervlak

Dit artikel heeft ten doel te voorkomen dat het dak van een bouwwerk door vliegvuur uit de omgeving in brand vliegt. Vliegvuur (of vonkenregen) kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld een open haard of een brand in een nabijgelegen bouwwerk.

Het eerste lid bepaalt dat dat geen enkel dak brandgevaarlijk mag zijn. Een uitzondering wordt gemaakt voor een bouwwerk die geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m (dat wil bij woningen meestal zeggen maximaal twee bouwlagen). Het dak van dat bouwwerk mag bovendien geen brandgevaarlijke dakbedekking hebben voor zover dit dak binnen 15 m van de perceelsgrens ligt. Wanneer het bouwwerk binnen die 15 m grens ligt, dan mag het dus geen onbehandeld rieten dak hebben. Het voorschrift niet geldt voor vrijstaande woningen en vrijstaande utiliteitsgebouwen met maximaal twee verdiepingen, die op meer dan 15 m afstand van de perceelsgrens staan. In dergelijke gevallen is de kans op brand als gevolg van bijvoorbeeld het stoken van een open haard in een naburig bouwwerk tenslotte gering. Bovendien kan relatief gemakkelijk worden gevlucht uit een gebouw met slechts een of twee bouwlagen.

Het tweede lid geeft een algemene uitzondering op het eerste lid voor bouwwerken van beperkte omvang (kleiner dan 50 m²). Een aparte berging of garage, mag dus wel een brandgevaarlijk dak hebben. Een berging of garage die aan de woning vastzit en daarmee onderdeel uitmaakt van het zelfde bouwwerk moet daarentegen aan de eisen van het eerste lid voldoen.

Artikel 2.72 Constructieonderdeel

Bij ministeriële regeling kunnen (nadere) voorschriften worden gesteld ter beperking van het ontwikkelen van brand en rook in een constructieonderdeel. In de artikelen 2.67 en 2.68 gaat het om de eigenschappen van het materiaal aan de oppervlakte van het constructieonderdeel. In dit artikel gaat het echter om de eigenschappen van materialen die onder de oppervlakte van het constructieonderdeel liggen.

Artikel 2.73 Verbouw

Artikel 2.73 geeft een voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 2.67, 2.68, met uitzondering van het derde lid, 2.69 en 2.71 van overeenkomstige toepassing waarbij moet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat de in dit artikel niet genoemde voorschriften, te weten artikel 2.68, derde lid, en artikel 2.70, bij verbouw onverkort van toepassing zijn. Artikel 1. 12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1.

Aan artikel 2.73 is bij Stb. 2014, 51 een lid toegevoegd met een specifiek verbouwvoorschrift voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren. In dergelijke gevallen mag bij toepassing van artikel 2.67, eerste lid, niet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau maar van het nieuwbouwniveau. Met deze wijzigingen is invulling gegeven aan de politieke toezeggingen om het aantal stalbranden en het aantal dieren dat daarbij omkomt fors te verminderen (Kamerstukken II 2012/2013, 33 400, nr. 129).

Artikel 2.74 Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.68, derde lid, en 2.71 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor bestaande bouwwerken van toepassing zijn.

§ 2.9.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.75 tot en met 2.80

Zie de toelichting op paragraaf 2.9.1, Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat voor de bestaande bouw (de artikelen 2.75 tot en met 2.80) voor het materiaalgedrag bij brand niet wordt uitgegaan van de brand- en rookklasse als bedoeld in NEN-EN 13501-1 maar van de oude (Nederlandse) bepalingsmethoden. Hiervoor is gekozen omdat het grootste deel van de huidige bestaande voorraad is gebouwd met constructieonderdelen die overeenkomstig de Nederlandse brand- en rookklassen zijn beproefd. Deze situatie zal in de loop der tijden verschuiven naar de Euroklassen. Artikel 2.80 biedt de keuzemogelijkheid om ook bij bestaande bouw gebruik te maken van Euroklassen. Deze mogelijkheid is vooral van belang voor relatief nieuwe gebouwen.

In het eerste lid van artikel 2.78 is bij Stb. 2013, 75, "heeft de bovenzijde van voor personen bestemde vloer, een trap of een hellingbaan" vervangen door "geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht". Hiermee richt het eerste lid zich evenals artikel 2.76 uitsluitend op de aan de binnenlucht grenzende zijde.

Het tweede lid is bij die wijziging toegevoegd omdat artikel 2.78 voor de bovenzijde van een vloer, trap of hellingbaan ten onrechte geen afwijking van artikel 2.77 bevatte. Als gevolg daarvan golden voor een beloopbaar buitenoppervlak de voorschriften van artikel 2.77, wat een onbedoelde verzwaring was ten opzichte van het vergelijkbare voorschrift in het Bouwbesluit 2003.

In het eerste lid en in het derde lid (nieuw) is bovendien voor personen bestemde vloer, trap of hellingbaan vervangen door vloer, trap of hellingbaan om dit artikel ook in dit opzicht in overeenstemming met het niveau van eisen van het Bouwbesluit 2003 te brengen. Het voorschrift van het derde lid heeft voortaan niet alleen een afwijking van het eerste lid maar ook van het nieuwe tweede lid. Zie ook de toelichting op onderdeel K van Stb. 2013, 75 Tabel 2.75 is overeenkomstig bij deze wijziging aangepast. Verder is in deze tabel de aansturing van de grenswaarden van artikel 2.76, eerste lid , geschrapt voor het bouwwerk geen gebouw zijnde. Deze grenswaarden hadden geen betekenis omdat het eerste lid niet op bouwwerken geen gebouw zijnde van toepassing is. De veronderstelling is dat bij een bouwwerk, geen gebouw zijn, nimmer sprake is van “binnenlucht”. Die veronderstelling is niet helemaal juist, want een tunnel is blijkens de jurisprudentie een bouwwerk, geen gebouw zijnde, maar de tunnelbuizen zijn qua brandveiligheid niet aan te merken als “buiten”.

Afdeling 2.10 Beperking van uitbreiding van brand

Algemeen

De kans op een snelle uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt om een eventuele brand in een gebouw beheersbaar te kunnen houden. Met het woord «snelle» is tot uitdrukking gebracht dat de uitbreiding van brand, door de aangebrachte brandscheidingen zodanig moet worden vertraagd dat veilig vluchten mogelijk is. De belangrijkste bouwkundige voorziening daarbij is de brandcompartimentering. Een brandcompartiment is een gedeelte van een bouwwerk of een groep bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand (zie de toelichting op artikel 1.1). Bij woningen wordt bij de benoeming van brandcompartimenten (en subbrandcompartimenten, zie afdeling 2.11) geen onderscheid meer gemaakt tussen woningen (woonfuncties) in een woongebouw en andere woningen. Deze wijziging heeft alleen betrekking op de structuur en niet op het niveau van eisen.

§ 2.10.1 Nieuwbouw

Artikel 2.81 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid luidt dat een te bouwen bouwwerk zodanig is dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt. Dit is vergeleken met de functionele eis van de oude afdeling 2.13, waar gesproken werd van het voldoende beperken van de uitbreiding van brand, een vooral redactionele aanpassing. De nieuwe tekst doet beter recht aan het samenspel tussen de weerstand tegen uitbreiden van brand van het gebouw zelf en het menselijk ingrijpen om het uitbreiden van brand te beperken.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

In tabel 2.81 is bij Stb. 2014 51 de aansturing van de artikelen 2.82, 2.83 en 2.84 gewijzigd wat betreft de subgebruikfuncties woonwagen en lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren. In artikel 2.82 is het derde lid niet meer aangestuurd voor stallen. In samenhang met het nieuwe elfde lid van artikel 2.83 en het nieuwe zesde lid van artikel 2.84 betekent dit dat iedere technische ruimte bij deze subgebruiksfunctie een afzonderlijk brandcompartiment moet zijn, met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 60 minuten. Dit is om dieren in stallen beter te beschermen tegen brand. In de tabel is bij Stb. 2014, 51 het eerste lid van artikel 2.84 niet meer aangestuurd voor woonwagens. Het eerste lid betekent namelijk een brandwerendheid van ten minste 60 minuten. Hiermee is een onbedoelde verzwaring ten opzichte van de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties (VROM-inspectie 2009) gecorrigeerd.

Artikel 2.82 Ligging

In dit artikel is aangegeven wanneer een ruimte wel of niet in een brandcompartiment moet liggen. De omvang van het brandcompartiment is geregeld in artikel 2.83 en de eisen waaraan het brandcompartiment moet voldoen (de wering tegen branddoorslag en brandoverslag) in artikel 2.84.

Het eerste lid geeft het basisvoorschrift. Iedere besloten ruimte moet in een brandcompartiment liggen. In een brandcompartiment kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie ook meerdere besloten ruimten liggen. Zo liggen de woonkamer, keuken, slaapkamers en andere ruimten in een woning over het algemeen in hetzelfde brandcompartiment. Als van een ruimte niet impliciet of expliciet is aangegeven dat deze in een brandcompartiment moet liggen, dan behoeft een dergelijke ruimte niet in een brandcompartiment te liggen. Als de ruimte wel binnen de grenzen van een brandcompartiment ligt, wordt de ruimte tot het brandcompartiment gerekend.

Het tweede lid is gericht op een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.

In aanvulling op het eerste lid is bepaald dat zowel een besloten als een niet besloten gedeelte van een wegtunnelbuis in een brandcompartiment moet liggen. Een wegtunnelbuis staat per slot van rekening aan twee zijden in open verbinding met de buitenlucht en is daarom nabij de tunnelmond geen besloten ruimte in de zin van dit besluit. Toch mag een wegtunnelbuis niet per definitie worden beschouwd als een niet besloten ruimte in de zin van dit besluit. Zie ook artikel 2.107, twaalfde lid.

Het derde lid somt een aantal besloten ruimten op die niet in een brandcompartiment behoeven te liggen, het mag echter wel. Aangenomen mag worden dat in de genoemde ruimten het risico op een onbeheersbare brand verwaarloosbaar is, zodat het niet nodig is dat die ruimte in een brandcompartiment ligt. Ook een liftschacht (onderdeel c) en een technische ruimte (onderdeel d) behoeven als aan de randvoorwaarden in die onderdelen is voldaan niet in een brandcompartiment te liggen. Opgemerkt wordt dat ruimten die niet goed van elkaar zijn gescheiden als één geheel moeten worden beschouwd. Dit betekent dat de totale oppervlakte van deze ruimtes moet worden opgeteld om te beoordelen of ze buiten een brandcompartiment mogen liggen. In artikel 2.82 is bij Stb. 2014, 51 het derde lid niet meer aangestuurd voor stallen. In samenhang met het nieuwe elfde lid van artikel 2.83 en het nieuwe zesde lid van artikel 2.84 vervat in dit Staatsblad betekent dit dat iedere technische ruimte bij deze subgebruiksfunctie een afzonderlijk brandcompartiment moet zijn, met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 60 minuten. Dit is om dieren in stallen beter te beschermen tegen brand.

Het vierde lid geeft aan dat een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute nooit in een brandcompartiment mag liggen. Omdat een liftschacht (die aan de randvoorwaarden voldoet) volgens het derde lid niet in een brandcompartiment behoeft te liggen, is het mogelijk een liftschacht op te nemen in een ruimte waardoor een in het vierde lid bedoelde extra beschermde verkeersruimte voert. Het is ook mogelijk een liftschacht op te nemen in een brandcompartiment zodat de lift direct op een verblijfsgebied kan aansluiten. Een dergelijke liftschacht behoeft niet te voldoen aan de in het derde lid, onderdeel c, gegeven voorwaarden voor een buiten een brandcompartiment gelegen lift. De brandveiligheid van een liftkooi, de attributen in een liftschacht en andere onderdelen van een lift wordt geregeld via de Europese richtlijn liften en het Warenwetbesluit liften. De aankleding van de lift en in het bijzonder van de liftkooi zal uiteraard moeten voldoen aan de voorschriften van artikel 7.4.

Het vijfde lid regelt voor de industriefunctie en de overige gebruiksfunctie dat ook de niet besloten gebruiksgebieden in een brandcompartiment moeten liggen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een inpandige houtopslag die vanwege de noodzakelijke ventilatie vaak in een niet besloten ruimte ligt.

Het zesde lid tot en met achtste lid geven voor een beperkt aantal gebruiksfuncties uitzonderingen op het eerste en vijfde lid. De uitzonderingen betreffen nauwkeurig omschreven situaties waarvan mag worden aangenomen dat de kans op het ontstaan van een onbeheersbare brand er betrekkelijk gering is.

Het zesde lid is van toepassing op de industriefunctie en op bouwwerken geen gebouw zijnde met een geringe vuurbelasting.

Het zevende lid regelt dat het eerste en vijfde lid niet van toepassing zijn op een of meer aangrenzende bouwwerken met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m² (bij de lichte industriefunctie en bouwwerken geen gebouw zijnde). Hiermee wordt voorkomen dat zonder meer een berging of een schuurtje tegen de bebouwing op het aangrenzende perceel kan worden geplaatst of dat een oneindig grote reeks bergingen tegen elkaar kan worden geplaatst zonder dat deze in een brandcompartiment liggen. Ook is hiermee duidelijk dat een berging in een woongebouw in een brandcompartiment moet liggen en dat er altijd een brandscheiding moet zijn tussen de bergingen en het portiek of vluchttrappenhuis. Bij het bepalen van de totale omvang gaat het namelijk om alle bouwwerken (en bouwwerkonderdelen) ongeacht de gebruiksfunctie daarvan, zodat een berging in een woongebouw nooit onder de vrijstelling van de zevende lid kan vallen. De uitzondering voor de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie geldt uitsluitend voor zover de totale gebruiksoppervlakte niet groter is dan 50 m2[Stb 2011, 676]. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de gebruiksoppervlakte van het bouwwerk waarin de gebruiksfunctie zelf ligt maar ook naar aangrenzende bouwwerken, ongeacht de gebruiksfunctie van die aangrenzende bouwwerken. Dit betekent dat wanneer een schuurtje in een rij met een aantal andere schuurtjes staat de totale gebruiksoppervlakte van de rij schuurtjes bepalend is. Wordt een schuurtje (buitenberging) opgenomen in een flatgebouw, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen omdat de totale gebruiksoppervlakte van dat flatgebouw groter zal zijn dan 50 m2. Wordt een schuurtje tegen een huis aangebouwd, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen indien de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m2. Als dat zelfde schuurtje bij de woning behoort kan er sprake zijn van een nevenfunctie zodat het schuurtje in hetzelfde brandcompartiment als die woonfunctie mag liggen (artikel 2.83, vijfde lid). Behoort dat schuurtje niet bij die woning, dan moet het schuurtje in een afzonderlijk brandcompartiment liggen.

Het zevende lid doet geen afbreuk aan het voorschrift van artikel 2.83, vijfde lid, dat regelt dat een berging of andere nevenfunctie in hetzelfde brandcompartiment als de betreffende woning mag liggen. Op grond van de artikelen 2.83, derde lid, is het niet nodig om tussen de bergruimten onderling een brandscheiding aan te brengen.

Het achtste lid geeft een uitzondering op het eerste en vijfde lid voor kassen met een beperkte permanente vuurbelasting.

Artikel 2.83 Omvang

Het doel van brandcompartimentering is de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot een gedeelte van het gebouw. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van een brandcompartiment, zodat een eventuele brand beheersbaar blijft. Wanneer de brand binnen het brandcompartiment blijft, draagt dit bij aan de veiligheid van personen in andere gedeelten van het gebouw. Een brandcompartiment mag om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen niet te groot zijn. Ook kan het zinvol zijn ruimten met een bijzonder brandrisico in een afzonderlijk brandcompartiment op te nemen. Onder bepaalde omstandigheden kan het toch mogelijk zijn een groter brandcompartiment te realiseren met een beroep op gelijkwaardigheid. Zie de toelichting op artikel 1.3.

Het eerste lid geeft de basis-eis die regelt dat de omvang van een brandcompartiment niet groter mag zijn dan de in tabel 2.81 aangegeven waarde. Voortaan is het mogelijk om bij de industriefunctie een brandcompartiment te realiseren met een gebruiksoppervlakte van 2.500 m² in plaats van 1.000 m² die op grond van het Bouwbesluit 2003 was toegestaan.

Het tweede lid geeft aan dat er ten hoogste 4 woonwagens met bijgebouwen (zie voor het begrip «nevenfunctie» artikel 1.1) bij elkaar mogen liggen binnen een brandcompartiment, op voorwaarde dat de totale gebruiksoppervlakte in dat brandcompartiment aan woonwagens en bijgebouwen niet groter is dan 500 m². De onderlinge afstand die hierbij tussen de woonwagens moet worden aangehouden is niet in dit besluit geregeld. De denkbeeldige afstand van 5 m in artikel 2.84, achtste lid, die in de praktijk soms als onderlinge afstand wordt aangehouden is daar niet voor bedoeld. De in dat artikel genoemde afstand is alleen een rekenwaarde. De daadwerkelijke afstand tussen de woonwagens volgt uit het bestemmingsplan. Dit (tweede) lid geeft het bevoegd gezag alleen de mogelijkheid om op te treden tegen een brandonveilige opstelling van woonwagens al dan niet als gevolg van een onjuiste afstand tussen de woonwagens onderling. Een clusteromvang van ten hoogste 4 woonwagens biedt voldoende brandveiligheid en laat ruimte om woonwensen in te willigen. Bij dit tweede lid zijn de aanbevelingen uit de handreiking Brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties, VROM-Inspectie, 15 maart 2009 verwerkt. In het tweede lid van artikel 2.83 is bij Stb. 2014, 51 de gebruiksoppervlakte binnen het brandcompartiment van ten hoogste 500 m2 verruimd naar ten hoogste 1.000 m2. Hiermee is het mogelijk om voortaan grotere woonwagens dan 125 m2 te plaatsen binnen een brandcompartiment. Dit gewijzigde voorschrift past beter binnen de uitgangspunten van de hierboven genoemde Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwa-genlocaties, op basis waarvan de afgelopen jaren veel woonwagenlocaties opnieuw zijn ingericht.

Het derde lid bepaalt dat een brandcompartiment zich niet over meer dan een perceel mag uitstrekken. Het is dus niet toegestaan dat een brandcompartiment zich uitstrekt over meer dan één perceel, waarbij moet worden uitgegaan van de in de bouwaanvraag aangegeven perceelindeling. Een brandcompartiment mag zich wel uitstrekken over meer dan een gebouw (een groep gebouwen) mits de gebouwen op hetzelfde perceel liggen.

Aan het vierde lid wordt voor wegtunnels voldaan wanneer elke wegtunnelbuis brandwerend is gescheiden van een andere wegtunnelbuis. Dit betekent dat een andere wegtunnelbuis wel altijd in een ander brandcompartiment moet liggen. Andere ruimten, zoals een technische ruimte of hulppost mogen, voor zover deze niet in een andere wegtunnelbuis liggen, wel in hetzelfde brandcompartiment liggen. Het is dus ook niet uitgesloten dat in hetzelfde brandcompartiment als de tunnelbuis nog andere ruimten liggen. Het eerste lid benadrukt [Stb. 2011, 676] dat in een brandcompartiment van een woonfunctie slechts één woning mag liggen. Verder mogen in dat brandcompartiment uitsluitend gebruiksfuncties van een andere soort liggen indien die gebruiksfuncties nevenfuncties van die ene woonfunctie zijn. In de meeste gevallen zal het slechts om een enkele nevenfunctie gaan zoals bijvoorbeeld een buitenberging (overige gebruiksfunctie). Het kan ook voorkomen dat er daarnaast ook een kantoor aan huis of een andere nevenfunctie is. Een gemeenschappelijk verblijfsgebied behoort per definitie aan meer dan een woonfunctie.

Uit het zesde lid [Stb. 2011, 676] volgt dat woningen (in een woongebouw) een gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen hebben indien dit verblijfsgebied in een afzonderlijk brandcompartiment ligt. Bij een woning met een gemeenschappelijk verblijfsgebied, moet gedacht worden aan een woning met bijvoorbeeld met een gemeenschappelijke huiskamer en keuken. De gemeenschappelijke ruimten mogen dus niet binnen het brandcompartiment van een van de woningen liggen. Een gemeenschappelijke ruimte is een ruimte die ten dienste staat van een aantal afzonderlijke woonfuncties. Het gaat in dit artikellid dus niet om de ruimten binnen een woning die door verschillende bewoners van die woning, bijvoorbeeld een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, worden gedeeld. Een dergelijke ruimte is niet een gemeenschappelijke maar een gezamenlijke ruimte (zie artikel 1.4).

Het zevende lid moet worden onderscheiden van artikel 2.82, derde lid, onderdeel d. De in dat artikellid bedoelde kleinere technische ruimte (ten hoogste 50 m²) behoeft niet in een brandcompartiment te liggen. Als een dergelijke kleinere ruimte wel in een brandcompartiment ligt dan mag deze samen met andere ruimten in dat brandcompartiment liggen. De in dit zevende lid beschreven grotere technische ruimte (meer dan 50 m²) of een technische ruimte voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW is altijd in een afzonderlijk brandcompartiment.

Het achtste lid geeft een uitzondering op het eerste lid voor nevenfuncties van een industriefunctie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een kleine kantine of kantoorruimte die ten dienste staat van die industriefunctie. Uit de tabel blijkt dat de uitzondering geldt voor een bijeenkomstfunctie (kantine of vergaderruimte), een kantoorfunctie, een onderwijsfunctie (leslokaal), een winkelfunctie of een overige gebruiksfunctie. Op grond van het eerste lid mogen dergelijke gebruiksfuncties niet in een brandcompartiment liggen dat groter is dan 1.000 m². Als die gebruiksfuncties ten dienste staan van de industriefunctie dan behoeven die gebruiksfuncties niet in een brandcompartiment van maximaal 1.000 m² te liggen, maar mogen deze deel uitmaken van het brandcompartiment van de industriefunctie, dat zoals in de tabel is aangegeven maximaal 2.500 m² mag zijn. De omvang van de nevenfuncties samen mag dan niet meer dan 100 m² zijn.

Het negende lid geeft voor de celfunctie een afwijking van het eerste lid. Een brandcompartiment waarin een cel ligt, mag niet groter zijn dan 500 m² en mag nooit meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw zijn. Aan deze beide voorschriften moet gelijktijdig zijn voldaan. Uit dit negende lid volgt dat een gebouw met een celfunctie naast het brandcompartiment waarin de cellen liggen altijd een buiten dat brandcompartiment gelegen gebruiksoppervlakte moet hebben. Deze gebruiksoppervlakte is noodzakelijk om de personen, bij brand in het brandcompartiment met cellen, buiten dat brandcompartiment in veiligheid te brengen.

Het tiende lid maakt duidelijk dat een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten [Stb. 2011, 676]. niet meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van een bouwlaag mag omvatten. Op die manier kunnen personen, bij brand in het brandcompartiment, zo nodig met bed en al, in een buiten dat brandcompartiment maar wel op dezelfde verdieping gelegen ruimte in veiligheid worden gebracht Het tiende lid is van belang voor het in veiligheid kunnen brengen van bedgebonden patiënten. Deze moeten bij brand met bed en al verplaatst kunnen worden naar een andere brandcompartiment op dezelfde bouwlaag. Bij niet bedgebonden patiënten in een bedgebied zijn deze voorzieningen niet nodig omdat deze patiënten zelfstandig via de reguliere vluchtroutes naar een veilige plaats kunnen vluchten.

Na het tiende lid van artikel 2.83 is bij Stb. 2014, 51 een elfde lid met een specifiek voorschrift voor de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren toegevoegd. Hiermee wordt voorkomen dat een brand in een technische ruimte overslaat naar een naastgelegen brandcompartiment waarin dieren aanwezig zijn. Zie verder hierboven de toelichting op tabel 2.81.

Artikel 2.84 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag

Een brandcompartiment kan pas als brandcompartiment functioneren als aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (in de praktijk ook afgekort tot wbdbo) is voldaan. Brandoverslag betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met «branddoorslag» wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructieonderdeel heen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten.

Het eerste lid stelt een basiseis van 60 minuten wbdbo. Deze eis geldt van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment. Ook geldt deze eis van een brandcompartiment naar een drietal specifieke maar niet in een brandcompartiment gelegen ruimten. Het gaat dan om een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, een liftschacht van een brandweerlift en een niet besloten veiligheidsvluchtroute. Uit dit voorschrift volgt dat bij een veiligheidsvluchtroute een wbdbo van 60 minuten geldt, ongeacht of deze vluchtroute door een besloten of een niet besloten ruimte voert. Een veiligheidsvluchtroute is per slot van rekening een bijzondere vorm van een extra beschermde vluchtroute (zie artikel 1.1). Daarbij moet worden opgemerkt dat een galerij van een flatgebouw in de regel geen veiligheidsvluchtroute is doch een extra beschermde vluchtroute.

Het tweede lid geeft een uitzondering op het eerste lid voor de wbdbo tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert. Dit voorschrift heeft alleen betrekking op de andere woonfunctie (dus niet van een woonwagen). Dit betekent dat er tussen een woning en een besloten verkeersruimte (corridor of gang in een woongebouw) kan worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten. Het derde lid geldt ook alleen voor woningen. In afwijking van het eerste lid kan daar worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten. Voorwaarden hierbij zijn dat de permanente vuurbelasting van het brandcompartiment (over het algemeen de woning) niet groter is dan 500 MJ/m² en dat in het woongebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau (zie artikel 1.1). Hieraan wordt in ieder geval voldaan bij woningen die bestaan uit materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, zoals steen of beton. Het vierde lid geeft een afwijking van het eerste lid voor bijna alle gebruiksfuncties met uitzondering van een woonfunctie, een celfunctie en een gezondheidszorggebouw met bedgebied. Er kan worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten als de in het eerste lid bedoelde ruimten op hetzelfde perceel liggen en als het gebouw geen vloeren heeft die hoger liggen dan 5 m boven het meetniveau. Aan beide voorwaarden moet zijn voldaan. Het vijfde lid geeft aan dat de in het vierde lid bedoelde reductie naar 30 minuten niet van toepassing is bij een brandcompartiment van een industriefunctie als de gebruiksoppervlakte van dat compartiment groter is dan 1000 m². Bij dergelijke grote brandcompartimenten geldt dus 60 minuten. In artikel 2.84 is bij Stb. 2014, 51 na het vijfde lid een nieuw zesde lid ingevoegd, waarmee voor stallen is bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is. Het zesde zevende lid . De uitzonderingen van het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert. Bij een dergelijke ruimte geldt altijd een wbdbo van ten minste 60 minuten. Het zevende achtste lid beoogt de bouwende partij niet onevenredig zwaar te belasten door de eventuele slechte kwaliteit van de belending. Daarom moet bij het bouwen ter beperking van het gevaar van brandoverslag altijd rekening worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een naburig perceel. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de gevel van het te bouwen gebouw Hiermee wordt het mogelijk een omgevingsvergunning aan te vragen zonder dat bekend is wat op het belendende perceel zal worden gerealiseerd. Overigens moet ook wanneer er aan de andere kant van de perceelsgrens al een gebouw staat, ongeacht de kwaliteit van dat gebouw, worden uitgegaan van een spiegelsymmetrisch aan het eigen te bouwen gebouw identiek gebouw. Voor het geval op het belendende perceel geen bouwbestemming rust en ook niet is bestemd voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of de opslag van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen, kan de spiegeling plaatsvinden als ware het perceel gelegen aan openbaar groen. Hierbij kan zo nodig een beroep op gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.3 worden gedaan, ter beoordeling van het bevoegd gezag. Ook in het achtste negende lid , dat betrekking heeft op de wbdbo bij een woonwagen, wordt uitgegaan van de spiegelsymmetrie. Bij de bepaling van de wbdbo tussen woonwagens wordt niet uitgegaan van de werkelijke afstand tussen woonwagens maar van een theoretische afstand van 5 m. Dit maakt het mogelijk de wbdbo van een woonwagen te bepalen zonder dat de uiteindelijke standplaats bekend is. Dit wil dus niet zeggen dat de woonwagens daadwerkelijk op deze afstand moeten worden geplaatst. De uiteindelijke plaatsing wordt bepaald op basis van het bestemmingsplan, waarbij rekening moet worden gehouden met het gestelde in artikel 2.83, tweede lid, van dit besluit. Nu het eerste lid van artikel 2.84 niet meer voor woonwagens is aangestuurd volgt uit het nieuwe tiende lid, ingevoegd bij Stb. 2014, 51, een brandwerendheid van 30 minuten tussen twee compartimenten van vier woonwagens (als bedoeld in het tweede lid van artikel 2.83). Het vaststellen of aan deze 30 minuten is voldaan, is niet eenvoudig omdat hierbij niet alleen moet worden uitgegaan van de brandwerendheid van een afzonderlijke woonwagen, maar van het geheel van de vier geclusterde woonwagens. Daarom biedt dit tiende lid ook de mogelijkheid om te volstaan met een afstand van 5 meter tussen de twee clusters van woonwagens. Deze afstand zal in het algemeen overeenstemmen met een brandwerendheid van 30 minuten. Een brandwerendheid van 30 minuten kan overigens ook worden aangetoond door het plaatsen van een afzonderlijke brandwerende muur tussen twee compartimenten. Met het nieuwe elfde lid, ingevoegd bij Stb 2014, 51, is geregeld dat bij de lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren geen eis geldt voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een brandcom-partiment en een kleine technische ruimte. De bescherming van een technische ruimte tegen brand in een ander brandcompartiment is namelijk niet beoogd. Het omgekeerde, bescherming tegen brand in een technische ruimte, is wel beoogd. Het daartoe strekkende voorschrift is opgenomen in het elfde lid van artikel 2.83.

Artikel 2.85 Verbouw

Artikel 2.85 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De artikelen 2.82 tot en met 2.84 zijn van overeenkomstige toepassing. Bij de artikelen 2.82 en 2.83 mag daarbij worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. De in artikel 2,85 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moet in alle gevallen ten minste 30 minuten zijn. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.12.

Artikel 2.86 Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.82 en 2.83 onverkort van toepassing. Artikel 2.84 is van overeenkomstige toepassing, waarbij in alle gevallen met een wbdbo van ten minste 30 minuten kan worden volstaan. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 2.10.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.87 tot en met 2.90

Zie de toelichting op paragraaf 2.10.1, Nieuwbouw. De wijzigingen [Stb. 2011, 676] van artikel 2.89 (bestaande bouw) vergelijkbaar met de wijzigingen [Stb. 2011, 676] in artikel 2.83 (nieuwbouw).

Aan artikel 2.90 is bij stb 2014, 51 een derde lid toegevoegd. Dit voorschrift voor bestaande woonwagens is vergelijkbaar met het nieuwe tiende lid van artikel 2.84 voor nieuwbouw. Tabel 2.87 is overeenkomstig aangepast.

Afdeling 2.11 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

Algemeen

Ieder brandcompartiment moet worden ingedeeld in één of meer subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert zodat brand en rook zich niet ongelimiteerd door het brandcompartiment kunnen verspreiden. Uitgangspunt is dat alle ruimten waarin brand zou kunnen ontstaan binnen een subbrandcompartiment liggen. In een subbrandcompartiment is men enige tijd beschermd tegen een brand die elders in het brandcompartiment is ontstaan. Dit is vooral ook van belang voor mensen die slapen of die niet zelfstandig kunnen vluchten, zoals zeer kleine kinderen, bedgebonden patiënten of gedetineerden. In dergelijke gevallen is ten slotte meer tijd nodig om iedereen in veiligheid te brengen. Ook biedt een subbrandcompartiment bescherming tegen de brand in het subbrandcompartiment dat juist is ontvlucht. Vergeleken met het Bouwbesluit 2003 heeft het begrip «subbrandcompartiment» een bredere betekenis gekregen. Onder een subbrandcompartiment wordt voortaan ook het oude rookcompartiment begrepen. Het begrip «rookcompartiment» heeft in dit besluit geen zelfstandige betekenis. Het niveau van eisen is door deze vereenvoudiging niet gewijzigd. Bij woningen wordt bij de benoeming van subbrandcompartimenten (en brandcompartimenten, zie afdeling 2.10) geen onderscheid meer gemaakt tussen woningen (woonfuncties) in een woongebouw en andere woningen. Deze laatste wijziging heeft geen invloed op het niveau van eisen. Zie hiervoor ook het algemeen deel van de toelichting.

§ 2.11.1 Nieuwbouw

Artikel 2.91 Aansturingsartikel

Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan wordt beoogd met paragraaf 2.10.1. en dat veilig kan worden gevlucht. Deze functionele eis ( eerste lid ) benadrukt dat de voorschriften van afdeling 2.10 een stap zijn in het brandveilig bouwen, met afdeling 2.11 wordt een volgende stap gezet. De naam van dit hoofdstuk is dan ook «verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook».

De tabel van het tweede lid [Stb. 2011, 676].wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

In tabel 2.91 zijn het derde en vierde lid van artikel 2.92, het eerste lid van artikel 2.93 en het tweede en derde lid van artikel 2.94 op grond van Stb. 2014, 51, niet meer aangestuurd voor de woonwagen. Dit betekent dat bij een woonwagen geen voorschriften meer gelden voor beschermde subbrandcompartimenten. Bij woonwagens kan voortaan worden volstaan met de eisen voor brandcompartimentering zoals opgenomen in de artikelen 2.82, 2.83 en 2.84. Ook is in deze tabel de grenswaarde voor de omvang van een beschermd subbrandcompartiment voor woonwagens gewijzigd van 500 m2 naar 1.000 m2. Hiermee is de tabel in overeenstemming gebracht met artikel 2.83, tweede lid. Hiermee zijn de voorschriften van hoofdstuk 2.11 in overeenstemming met de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties.

Artikel 2.92 Ligging

Dit artikel bevat de basiseisen. Het eerste lid bepaalt dat een brandcompartiment moet worden ingedeeld in subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute loopt. Dit betekent dat alle in een brandcompartiment gelegen ruimten, dus ieder functiegebied, verblijfsgebied met de daarin gelegen ruimten, ook in een subbrandcompartiment moeten liggen. Een buiten een brandcompartiment gelegen ruimte als bedoeld in artikel 2.82, derde lid, behoeft ook niet in een subbrandcompartiment te liggen. Een brandcompartiment kan zowel volledig bestaan uit subbrandcompartimenten of uit een of meer subbrandcompartimenten en een of meer verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert. Of daadwerkelijk beschermde vluchtroutes aanwezig moeten zijn volgt uit afdeling 2.12.

Het tweede lid benadrukt dat een beschermde vluchtroute niet direct in een subbrandcompartiment mag liggen, maar in een verkeersruimte. Daarom zal tussen een subbrandcompartiment (waarin brand kan ontstaan) en een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert altijd een brand- en rookwerende scheiding (dit is een eis aan de verkeersruimte )aanwezig moeten zijn. Op die manier is een beschermde vluchtroute beschermd bij brand in een van de aanliggende functie- of verblijfsgebieden (subbrandcompartimenten).

Het derde lid biedt de mogelijkheid om een verblijfsgebied voor bewakingsdoeleinden, zoals een zusterpost in een ziekenhuis of een receptie in een kantoorgebouw, in een gang of hal waardoor een beschermde vluchtroute voert te plaatsen. Zou een dergelijk voor bewakingsdoeleinden bestemd verblijfsgebied wel in een subbrandcompartiment moeten liggen, dan zou op grond van artikel 2.94 tussen dat verblijfsgebied en de beschermde vluchtroute altijd een brandwerende scheiding moeten worden aangebracht. Een dergelijke fysieke scheiding zou het noodzakelijke contact met de op de zusterpost of receptie aangewezen ruimten bemoeilijken. Een oplossing daarvoor zou kunnen zijn de ruimte niet aan te merken als verblijfsgebied. Omdat dat zou betekenen dat de veiligheid en gezondheid voor de bewakers onvoldoende zijn gewaarborgd (bijvoorbeeld geen eisen aan de ventilatie) biedt dit de derde lid een alternatief. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een wachtgelegenheid in datzelfde ziekenhuis of kantoorgebouw niet in een verblijfsruimte behoeft te liggen. In een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert kan dus een wachtruimte worden ingericht, op voorwaarde dat de inrichting van deze wachtruimte het vluchten niet hindert en de brandveiligheid niet in gevaar brengt (zie ook hoofdstuk 7).

Het vierde lid [Stb. 2011, 676] benadrukt dat een verblijfsgebied in een woonfunctie altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. In een reguliere woning zal de begrenzing van het beschermd subbrandcompartiment overeenkomen met de begrenzing van het brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.83 van het Bouwbesluit 2012.

Het vijfde lid [Stb. 2011, 676] stelt dat een bedgebied, dat wil zeggen een gebied waar personen kunnen slapen of aan bed gebonden zijn, altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Dit betekent dat voor een ruimte waar bedden worden gereinigd of opgeslagen, zoals bijvoorbeeld in zieken- of verpleeghuizen, of een operatieruimte, of een ruimte waar kan worden gerust, de eis voor een beschermd subbrandcompartiment niet geldt.

Het zesde lid lid[Stb. 2011, 676] stelt dat een cel in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Een cel kan uit meerdere ruimten bestaan.

Het zevende lid [Stb. 2011, 676] schrijft voor dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 2.92 de basiseisen bevat omtrent de ligging van subbrandcompartimenten en beschermde subbrandcompartimenten. Dit is iets anders dan de omvang van het compartiment. De eisen aan de maximale omvang zijn opgenomen in artikel 2.93. Het is daarom altijd nodig om beide artikelen gelijktijdig te raadplegen.

Artikel 2.93 Omvang

In artikel 2.93 van het Bouwbesluit 2012 wordt het begrip subbrandcompartiment telkens vervangen door beschermd subbrandcompartiment [Stb. 2011, 676]. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat het vereiste beschermingsniveau van vluchtroutes, en het antwoord op de vraag of er een tweede vluchtroute nodig in grote lijnen het zelfde is als voor de invoering van het Bouwbesluit 2012. Hiermee is een onbedoelde verzwaring van het niveau van eisen weggenomen. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van beschermde [Stb. 2011, 676] subbrandcompartimenten bij de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie. Aan andere gebruiksfuncties stelt dit artikel geen specifieke eisen omdat daar hooguit incidenteel sprake is van het bieden van slaapgelegenheid. Bij een incidenteel nachtgebruik (bijvoorbeeld het overnachten van padvinders in een scoutinggebouw) kan volstaan worden met een niet bouwkundige oplossing. Zie ook het algemeen deel van de toelichting. Aan de omvang van andere subbrandcompartimenten dan in dit artikel aangewezen worden alleen de eisen uit artikel 2.92 gesteld. Het is zinvol ruimten waar gebruikers een extra bescherming tegen brand nodig hebben in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment van beperkte omvang te plaatsen. Men is in ieder beschermd subbrandcompartiment namelijk enige tijd beschermd tegen brand in andere gedeelten [andere beschermde subbrandcompartimenten] van het brandcompartiment. Wanneer de brand ontstaat in het beschermde subbrandcompartiment zelf, dan kan de ontruiming zich in eerste instantie richten op de evacuatie van het relatief beperkte aantal personen in dat beschermde subbrandcompartiment, en daarna pas op alle andere beschermde subbrandcompartimenten in het brandcompartiment. Een beschermd subbrandcompartiment mag om zijn functie van brand- en rookbegrenzer goed te kunnen vervullen dus niet te groot zijn. Met een beroep op de gelijkwaardigheidsbepaling van artikel 1.3 is het mogelijk een groter beschermd subbrandcompartiment te realiseren dan volgens deze afdeling mogelijk zou zijn. Met het begrip is beschermd subbrandcompartiment is gewaarborgd dat het vereiste beschermingsniveau van vluchtroutes, en het antwoord op de vraag of er een tweede vluchtroute nodig is in grote lijnen het zelfde is als voor de invoering van het Bouwbesluit 2012. Hiermee is geen sprake van onbedoelde verzwaring van het niveau van eisen ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 [Stb. 2011, 676].

Het eerste lid stelt een grens aan de omvang van een beschermd subbrandcompartiment van een woonfunctie, een celfunctie, logiesfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Het voorschrift beperkt bij een bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen tot 4 jaar en 24-uurs opvang (kinderopvang met bedgebied) de omvang van een beschermd subbrandcompartiment omdat de hier aanwezige kinderen in het algemeen niet zelfstandig kunnen vluchten. In sommige gevallen zijn zij zelfs volledig aangewezen op hulp van het personeel. Bij andere kinderopvang (zonder bedgebied), zoals een dagverblijf voor kinderen ouder dan 4 jaar of buitenschoolse opvang, gelden dus geen specifieke eisen voor de omvang van het beschermde subbrandcompartiment en mag dat even groot zijn als het brandcompartiment zelf. De eisen hiervoor zijn gelijk aan die voor een onderwijsfunctie, omdat dit type opvang dikwijls in schoolgebouwen wordt gerealiseerd.

Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om in een woonfunctie voor zorg met een gebruikoppervlakte van meer dan 500 m² een gezamenlijke verblijfsruimte (woonkamer) te creëren, met een grotere omvang dan voor de individuele wooneenheden is toegestaan. Bij een woonfunctie voor de zorg van niet meer dan 500 m² geldt het voorschrift voor de andere woonfunctie van het eerste lid.

Het derde lid regelt voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied dat een beschermd subbrandcompartiment in geen ruimten van een andere gebruiksfunctie mogen bevatten. Ruimten van ondergeschikt belang (nevenfuncties) mogen wel deel uitmaken van dit beschermde subbrandcompartiment.

Lid vier geeft expliciet aan dat elke cel een apart beschermd subbrandcompartiment moet zijn. Dit biedt de hoogst mogelijke bescherming als er brand uitbreekt in een ander beschermd subbrandcompartiment nabij die cel.

Het vijfde lid beperkt de omvang van een beschermd subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie met bedgebied tot ten hoogste 500 m². Een opslagruimte voor bedden is geen bedgebied. Binnen het beschermd subbrandcompartiment met bedgebied mogen ook ruimten liggen die ten dienste staan van die patiëntenkamers, zoals een ruimte voor toezicht door verplegend personeel. Een dergelijke ruimte mag echter ook buiten een beschermd subbrandcompartiment liggen (zie artikel 2.92, derde lid). Het vijfde lid geeft een algemeen voorschrift voor hen bedgebied.

Wanneer het gaat om bedgebonden patiënten dan is het nadere voorschrift van het zesde lid van toepassing Een bedgebonden patiënt is een patiënt die aan het bed is gekluisterd en daarom bij brand hulp nodig heeft om voldoende snel te kunnen vluchten. Wanneer het beschermde subbrandcompartiment bestemd is voor bedgebonden patiënten dan is de maximale omvang van het beschermde subbrandcompartiment in het vijfde lid afhankelijk van het bewakingsniveau. Bij een permanente bewaking, waarbij 24 uur per etmaal voldoende goed getraind personeel aanwezig is om de bedgebonden patiënten bij brand tijdig in veiligheid te kunnen brengen is een beschermd subbrandcompartiment van 500 m² toegestaan. Ontbreekt bewaking, dan mag het beschermde subbrandcompartiment niet groter zijn dan 50 m². Is het niveau van de bewaking afgestemd op het bij brand tijdig in veiligheid kunnen brengen van een bepaald aantal bedgebonden patiënten, dan mag de omvang van het beschermd subbrandcompartiment zodanig zijn, dat dat aantal bedgebonden patiënten daarin kan worden ondergebracht. Dit betekent dat in voorkomende gevallen een beschermd subbrandcompartiment kan worden toegestaan met een omvang die ligt tussen de 50 m² en 500 m². Het beschermd subbrandcompartiment mag echter, ongeacht het niveau van de bewaking, niet groter zijn dan 500 m².

Een logiesfunctie kan een aantal logiesverblijven (zie artikel 1.1) bevatten. Het zevende lid [Stb. 2011, 676] maakt expliciet dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, behalve een afzonderlijk subbrandcompartiment ook een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is. Dit biedt de hoogst mogelijke bescherming als er brand uitbreekt in een ander beschermd subbrandcompartiment nabij dat logiesverblijf. In een groepsaccommodatie, zoals bij een kampeerboerderij, mogen de verschillende ruimten voor een enkele groep gasten samen in één beschermd subbrandcompartiment liggen. Deze verschillende ruimten zijn dan samen één logiesverblijf.

Het achtste lid [Stb. 2011, 676] is vergelijkbaar met artikel 2.136, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003. Deze toevoeging is nodig om het met het Bouwbesluit 2003 op dit onderdeel beoogde veiligheidsniveau te handhaven.

Artikel 2.94 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag

Dit artikel bevat de eisen aan de scheidingsconstructies die een subbrandcompartiment begrenzen. Deze scheidingsconstructies zijn dan de begrenzing van een uitbreidingsgebied van brand en rook. De scheidingsconstructies moeten daarom voldoende weerstand hebben tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) en rook in voldoende mate tegenhouden.

In het eerste lid is bepaald dat de weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment tenminste 20 minuten is. Dit wordt berekend met behulp van het aspect vlamdichtheid Deze eis is in de plaats gekomen van de 30 minuten weerstand tegen rookdoorgang (wtrd) die in het Bouwbesluit 2003 aan rookcompartimenten werd gesteld. Volgens NEN 6075 verhoudt de wbdbo zich tot de weerstand tegen rookdoorgang als 2:3. De weerstand tegen rookdoorgang is nu omgezet in 20 minuten weerstand tegen branddoorslag waarbij alleen wordt uitgegaan van het aspect vlamdichtheid (E). Dit betekent dat bij de in dit lid bedoelde subbrandcompartimentende criteria straling (EW) en temperatuur (EI) buiten beschouwing blijven.

Het tweede lid stelt een zwaardere eis van 30 minuten aan de wbdbo van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in hetzelfde brandcompartiment. Hierop is de volledige in NEN 6068 bedoelde bepalingsmethode van toepassing. In het tweede lid van artikel 2.94 is sprake van een beschermd subbrandcompartiment [Stb. 2011, 676] (zie ook de toelichting op artikel 2.93). Bij het eerste lid is die aanvullende bescherming niet nodig, omdat het daarin bedoelde subbrandcompartiment vergelijkbaar is met het oude rookcompartiment. Zie ook de toelichting op het begrip ‘beschermd subbrandcompartiment’.

Het derde lid geeft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere voorschriften te geven omtrent de rookdoorgang van een subbrandcompartiment en van een beschermd subbrandcompartiment [Stb. 2011, 676] naar een andere ruimte

Artikel 2.95 Verbouw

Artikel 2.95 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 2.92 tot en met 2.94 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat daarbij moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen is de volledige nieuwbouwparagraaf van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

Artikel 2.96 Tijdelijke bouw

Dit artikel stelt dat voor een nieuw te bouwen tijdelijk bouwwerk de artikelen in deze afdeling onverminderd van toepassing zijn. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 2.11.2 Bestaande bouw

Artikel 2.97 tot en met 2.100

Zie de toelichting op paragraaf 2.11.1 Nieuwbouw. De grenswaarden bij bestaande bouw zijn lager dan bij nieuwbouw. Verder wordt opgemerkt dat waar bij nieuwbouw is uitgegaan van «beschermde vluchtroute» bij bestaande bouw is uitgegaan van «beschermde route» (zie ook de toelichting op artikel 1.1). Ook wordt bij bestaande bouw in een aantal gevallen nog uitgegaan van de weerstand tegen rookdoorgang (wtrd) en mag bij het bepalen of aan deze eisen is voldaan de kier onder de deur buiten beschouwing worden gelaten bij de celfunctie en de gezondheidszorgfunctie. In het derde lid van artikel 2.100 is geen sprake meer van onbedoelde verzwaring ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 [Stb. 2011, 676].

De artikelen 2.98, vijfde lid, en 2.99, derde lid, waren ten onrechte aangestuurd voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Deze onbedoelde verzwaring ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 is bij Stb. 2013, 75, in tabel 2.97 gecorrigeerd. Omdat artikel 2.99, derde lid, alleen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied was bedoeld en een verzwaring betekende ten opzichte van het verleden wat voor bestaande bouwwerken vanwege verworven rechten niet kan vervalt bij die wijziging tevens dit derde lid onder van nummering van de overige leden.

Tabel 2.97, voor bestaande bouw, is bij Stb. 2014, 51 vergelijkbaar met de nieuwbouwtabel 2.91 aangepast. Daarnaast is de onderverdeling in subgebruiksfuncties bij de bijeenkomstfunctie geschrapt. Deze onderverdeling was overbodig omdat de voorschriften bij bestaande bouw voor iedere bijeenkomstfunctie hetzelfde zijn. Hiermee zijn de voorschriften van hoofdstuk 2.11 in overeenstemming met de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties.

Afdeling 2.12 Vluchtroutes

Algemeen

De systematiek van de eisen voor ontvluchting is aanzienlijk vereenvoudigd. Uitgangspunt daarbij is dat kan worden volstaan met één vluchtroute die start op de plaats waar het vluchten begint en eindigt op een veilige plaats. Het Bouwbesluit 2003 ging uit van ten minste twee vluchtroutes. De enkele vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, binnen het brandcompartiment een beschermde vluchtroute en buiten dat brandcompartiment een extra beschermde vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute. Met het uitgangspunt van een enkele vluchtroute is het uiteraard mogelijk een tweede vluchtroute te realiseren. In dat geval zijn bepaalde voorschriften die op een enkele vluchtroute van toepassing zijn niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren (zie artikel 2.106). De eisen voor ontvluchten zijn nu in één afdeling ondergebracht, terwijl die eisen in het Bouwbesluit 2003 waren verspreid over diverse afdelingen. Er wordt in afdeling 2.12 niet langer gesproken van rookvrije of brand- en rookvrije vluchtroutes, maar van «beschermde vluchtroute» en «extra beschermde vluchtroute». Bovendien is de term veiligheidstrappenhuis vervangen door «veiligheidsvluchtroute», die niet alleen over een trap, maar ook horizontaal kan lopen. De nieuwe begrippen zijn inhoudelijk niet volledig gelijk aan de oude begrippen. Zie de toelichting op de begripsbepalingen in artikel 1.1 en hierna. De voorschriften voor de draairichting van een deur in een vluchtroute en de afsluitbaarheid daarvan zijn onderdeel van regeling in hoofdstuk 7 van dit besluit. Overigens zijn in hoofdstuk 6 voorschriften gegeven voor installaties die voor het veilig vluchten noodzakelijk zijn. Zo schrijft artikel 6.20, vijfde lid, bij doodlopende gangen in bepaalde situaties een daarop afgestemde brandmeldinstallatie voor.

§ 2.12.1 Nieuwbouw

Artikel 2.101 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt, is gericht op het veilig kunnen vluchten uit een nieuw te bouwen bouwwerk.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Opgemerkt wordt dat uit de tabel blijkt dat het tweede lid van artikel 2.102 ook van toepassing is op de ‘andere woonfunctie’[Stb. 2011, 676]. Tenslotte kan ook een woonfunctie een nevenfunctie van een celfunctie zijn. Let ook op de aansturing van artikel 2.103, eerste lid[Stb. 2011, 676].

In tabel 2.101 is voor de logiesfunctie (zowel een in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie als een andere logiesfunctie) de aansturing van artikel 2.102, twaalfde lid, bij Stb. 2013, 75, vervallen. Dit lid is overbodig omdat bij de logiesfunctie het subbrandcompartiment en het beschermde subbrandcompartiment altijd samenvallen. Voor de overige wijzigingen in de tabel wordt verwezen naar de toelichting op de onderdelen R en S van dit staatsblad, zoals de aanpassing van artikel 2.103, derde lid.

Artikel 2.102 Vluchtroute

Dit artikel regelt het verloop van een vluchtroute en de maximale lengte van die route binnen een subbrandcompartiment.

Het eerste lid geeft aan dat op elk willekeurig punt in een bouwwerk een vluchtroute begint die voert naar het aansluitende terrein en eindigt bij de openbare weg. Een vluchtroute mag dus niet uitkomen op bijvoorbeeld een binnenplaats zonder doorgang naar de openbare weg. Hiermee wordt voorkomen dat men uiteindelijk toch nog door de brand ingesloten raakt. Uit het begrip «voor personen bestemde vloer» volgt dat dit voorschrift geldt voor een ruimte waarin bij regulier gebruik personen aanwezig zijn. Met andere woorden, voor bijvoorbeeld een technische ruimte waarin incidenteel een onderhoudsmonteur aanwezig is gelden de voorschriften voor een vluchtroute niet. Uit de arbovoorschriften vloeit voort dat ook de onderhoudsmonteur de ruimte en het gebouw op een veilige wijze moet kunnen verlaten. Dit kan dan ook met persoonlijke beveiligingsmaatregelen. Het eerste lid geldt voor alle gebruiksfuncties behalve voor de celfunctie.

Op grond van het tweede lid mag een vluchtroute in een penitentiaire inrichting alleen leiden naar een ander brandcompartiment. Het is tenslotte niet de bedoeling dat de gedetineerden bij een calamiteit ongehinderd hun vrijheid tegemoet kunnen gaan. De toevoeging «al dan niet via een buitenruimte» betekent dat deze vluchtroute niet rechtstreeks hoeft te voeren naar een ander brandcompartiment, maar ook via een buitenruimte op het terrein van de inrichting mag lopen. Een penitentiaire inrichting bevat behalve celfuncties ook nevenfuncties, bijvoorbeeld een sportaccommodatie of een werkplaats. In geval van brand moeten de gedetineerden ook vanuit die nevenfuncties naar een ander brandcompartiment kunnen vluchten. Zie het eerste lid voor een toelichting op het begrip «voor personen bestemde vloer».

Het derde lid , op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg, is alleen van toepassing op wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. Een wegtunnelbuis heeft per definitie ten minste twee vluchtroutes, via de beide uiteinden van de wegtunnelbuis. Zie voor de loopafstand naar een veilige plaats of route (beschermde vluchtroute) in de tunnel het achtste lid.

In het vierde lid wordt nu één eis gesteld aan de maximale loopafstand van een vluchtroute binnen een gebruiksgebied in een subbrandcompartiment. De gecorrigeerde loopafstand is voor bijna alle gebruiksfuncties vastgesteld op 30 m. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat mensen 30 seconden met ingehouden adem en een snelheid van 1 m/s door een ruimte met rook kunnen lopen.

Voor een celfunctie is de maximale loopafstand evenals voorheen 22,5 m. Indien de uitgang van het gebruiksgebied niet binnen de voorgeschreven loopafstand van 30 (of 22,5 m bij de celfunctie) kan worden bereikt, dan zal er een tweede uitgang moeten zijn die in principe op dezelfde vluchtroute als de eerste mag uitkomen. De gecorrigeerde loopafstand is de loopafstand waarbij constructieonderdelen die geen onderdeel van de bouwconstructie zijn, buiten beschouwing worden gelaten. Zie ook de begripsbepaling in artikel 1.1. Voor woonfuncties is de eis aan de totale loopafstand die binnen een subbrandcompartiment door verblijfsgebied én verkeersruimte mag worden afgelegd nieuw.

Het begrip “een uitgang” in artikel 2.102, vierde lid , moest zo worden uitgelegd dat de eis gold voor iedere uitgang van het subbrandcompartiment. Dit zou een onbedoelde verzwaring betekenen ten opzichte van het Bouwbesluit 2003. Daarom is bij de wijziging in Stb. 2013, 75, teruggegaan naar het begrip “ ten minste een uitgang”.

Het vijfde lid geeft dezelfde eis als in het vierde lid, maar dan voor een voor een verblijfsgebied dat bestemd is om niet nader te worden ingedeeld, of een verblijfsruimte. Met deze vangnetbepaling wordt voorkomen dat als gevolg van de aanwezigheid van niet-dragende scheidingswanden, de werkelijke loopafstand vanuit een verblijfsruimte onaanvaardbaar groot wordt. Aan de andere kant wordt met deze bepaling voorkomen dat bij een gebied of gedeelte daarvan dat al is ingedeeld of niet bedoeld is om nader ingedeeld te worden toch nog rekening met een nadere indeling en zodoende langere loopafstanden moet worden gehouden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een sportzaal.

Het zesde en zevende lid bepalen dat in bepaalde gebruiksfuncties een lagere bezetting van het subbrandcompartiment een langere loopafstand tot gevolg mag hebben, omdat men bij een lagere bezetting de uitgang sneller kan bereiken. De maximale loopafstanden van 45 m en 60 m zijn de grenswaarden die voorheen waren gekoppeld aan bezettingsgraadklassen B4 en B5. Bij overschrijding van de toegestane loopafstand moet er een tweede uitgang zijn die in principe op dezelfde vluchtroute als de eerste mag uitkomen.

In het achtste lid zijn beperkingen gesteld aan de maximale loopafstand vanaf de rijbaan in een wegtunnelbuis naar een uitgang van die tunnelbuis. Die loopafstand wordt op twee wijzen gemaximeerd.

Ten eerste er moet altijd binnen de 150 m een uitgang kunnen worden bereikt. Door in aanvulling daarop te stellen dat uitgangen niet verder dan 250 m uit elkaar mogen liggen is gewaarborgd dat, indien een uitgang is geblokkeerd, altijd binnen 250 m een volgende uitgang wordt aangetroffen. Met de waarde van 150 m is rekening gehouden met de mogelijkheid dat in de tunnelbuis bouwkundige obstakels zijn (bijvoorbeeld hoogteverschillen groter dan 0,3 m, zonder trap of hellingbaan), zodat niet vanuit ieder punt op de rijbaanvloer in een rechte lijn naar de toegang kan worden gelopen. Het spreekt voor zich dat met «de afstand tussen twee uitgangen» de afstand tussen twee opeenvolgende uitgangen wordt bedoeld. In het algemeen betekenen deze maximale loopafstanden dat men binnen vijf minuten de wegtunnelbuis lopend kan verlaten. Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het bouwen moet elke uitgang van de wegtunnelbuis (inclusief de uitmondingen) in beschouwing worden genomen. In het niveau van eisen is rekening gehouden met de mogelijkheid dat een uitgang als gevolg van een ongeval geblokkeerd kan raken. Dit mogelijke risico mag dus niet leiden tot nadere (lees: hogere) eisen bij het verlenen van de vergunning.

Het negende lid regelt het maximale te overbruggen hoogteverschil tussen een vloer en de uitgang van een subbrandcompartiment. Dit betekent praktisch gezien dat een vluchtroute in het subbrandcompartiment over niet meer dan twee verdiepingen (ofwel één trap) kan lopen.

Het tiende lid stelt dat een ruimte of subbrandcompartiment bestemd voor meer dan 150 personen ten minste twee uitgangen moet hebben, die in principe op dezelfde vluchtroute kunnen uitkomen. De uitgangen moeten ten minste 5 m uit elkaar liggen, want pal naast elkaar liggende deuren functioneren uit het oogpunt van brandveiligheid als één deur. Het voorschrift wordt niet aangewezen voor de woonfunctie, de kinderopvang met bedgebied, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en het bouwwerk geen gebouw zijnde, omdat daar normaliter niet meer dan 150 personen in één subbrandcompartiment aanwezig zullen zijn. De grenswaarde van 150 personen is afgeleid van de voormalige bezettingsgraadklassen.

Het elfde lid geeft een functionele eis voor het veilig ontvluchten van een bouwwerk geen gebouw zijnde. De reden om hier een functionele eis op te nemen is de zeer uiteenlopende aard van dit soort bouwwerken, zoals open tribunes, steigers en bruggen. Met deze eis krijgt de gemeente enige beoordelingsruimte.

Het twaalfde lid [Stb. 2011, 676] is vergelijkbaar met artikel 2.147 van het Bouwbesluit 2003. Dit twaalfde lid is gericht op het vanuit het beschermd subbrandcompartiment kunnen bereiken van een veilige plaats.

Artikel 2.103 Beschermde vluchtroute

Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute beschermd moet zijn en welke voorwaarden hierbij van toepassing zijn. Een beschermde vluchtroute ligt tussen de uitgang van een subbrandcompartiment en de uitgang van een brandcompartiment.

Het eerste lid geldt voor de woonfunctie, de celfunctie, de kinderopvang en gezondheidszorgfunctie beide met bedgebied, logiesfunctie en de wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m. Dit voorschrift is van toepassing ongeacht het aantal bewoners of gebruikers dat van de vluchtroute gebruik maakt. Indien het aansluitende terrein bij de uitgang van het subbrandcompartiment niet is bereikt, dan moet bij gebruik van een enkele vluchtroute via een beschermde vluchtroute naar de uitgang van het brandcompartiment worden gevlucht. Deze eis wat betreft de woonfunctie betrekking op niet-zelfstandige woonruimten in een subbrandcompartiment, bijvoorbeeld een bejaardentehuis. De eis is niet van toepassing bij reguliere woongebouwen, omdat de daarin gelegen appartementen afzonderlijke brandcompartimenten zijn en de gemeenschappelijke verkeersruimte buiten die brandcompartimenten dus een extra beschermde vluchtroute moet zijn (zie artikel 2.104). Met de volzin aan het eind van het eerste lid [Stb. 2011, 676] wordt duidelijk gemaakt dat een vluchtroute voor zover deze door een andere wegtunnelbuis voert dan de tunnelbuis waarin de vluchtroute begint niet een beschermde vluchtroute behoeft te zijn. Er behoeft dus geen brand- of rookwerende scheiding te zijn tussen een wegtunnelbuis en een vluchtroute die door die wegtunnelbuis voert. Verder wordt opgemerkt dat het eerste lid van artikel 2.103 niet is aangestuurd voor die gebruiksfuncties waarvoor het eerste lid van artikel 2.104 geldt [Stb. 2011, 676].

Het tweede lid geldt voor de enkele vluchtroute in de utiliteitsbouw voor zover het eerste lid niet van toepassing is. Indien bij de uitgang van het subbrandcompartiment de uitgang van het brandcompartiment of het aansluitende terrein nog niet is bereikt, dan moet verder richting de uitgang van brandcompartiment worden gevlucht via een beschermde vluchtroute. Op die route mogen dan hoogste 37 personen aangewezen zijn. Deze grenswaarde is berekend aan de hand van de oude op bezettingsgraadklassen gebaseerde voorschriften.

Het derde lid geeft de eis voor de maximale loopstand in (het horizontale deel van) een beschermde vluchtroute die door een besloten ruimte voert. De lengte van de vluchtroute is in deze situatie gelimiteerd voor het geval er onverhoopt toch rook in de besloten route mocht doordringen. Binnen een trappenhuis wordt geen maximum aan de loopafstand gesteld. Omdat de beschermde vluchtroute binnen de relatief beperkte omvang van een brandcompartiment ligt, behoeft de totale lengte van een beschermde vluchtroute niet te worden beperkt. Dit betekent dat de loopafstand door een aan de uitgang van een subbrandcompartiment grenzende ruimte niet groter mag zijn dan 30 m. Uit artikel 2.106 volgt dat dit artikel bij een tweede vluchtroute niet van toepassing is. Verder volgt uit artikel 2.107, eerste lid, in samenhang met artikel 6.26, eerste lid, dat elke op de beschermde route gelegen scheidingsdeur brandwerend en zelfsluitend moet zijn.

Omdat artikel 2.103, derde lid , niet wordt aangestuurd voor de celfunctie, zijn de loopafstanden voor alle aangestuurde gebruiksfuncties 30 m. Om die reden is in artikel 2.103, derde lid, bij de wijziging in Stb. 2013, 75, de verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.101 vervangen door de loopafstand. De tabel is overeenkomstig aangepast.

Artikel 2.104 Extra beschermde vluchtroute

Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute extra beschermd moet zijn. Een extra beschermde vluchtroute ligt per definitie niet in een brandcompartiment. Het doel van een extra beschermde vluchtroute is het veilig kunnen vluchten buiten een subbrandcompartiment. Met het begrip subbrandcompartiment in het eerste lid van artikel 2.104 [Stb. 2011, 676]. wordt recht gedaan aan het feit dat niet de uitgang van het brandcompartiment maar de uitgang van het subbrandcompartiment bepalend is voor het beschermingsniveau van het deel van de vluchtroute dat bij die uitgang begint. Daarbij wordt opgemerkt dat indien de vluchtroute na het verlaten van het subbrandcompartiment een extra beschermde vluchtroute moet zijn, de uitgang van het subbrandcompartiment tevens de uitgang van het brandcompartiment moet zijn waarin dat subbrandcompartiment ligt. Een extra beschermde vluchtroute mag op grond van artikel 2.82, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 ten slotte niet in een brandcompartiment liggen. Uiteraard zou het doel van het veilig vluchten buiten een subbrandcompartiment ook kunnen worden bereikt door detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen in het kader van een beroep op gelijkwaardigheid (artikel 1.3).

Het eerste lid geldt voor de enkele vluchtroute in een woongebouw met zelfstandige woonruimten (appartementen), een celfunctie, een kinderopvang en gezondheidszorgfunctie beide met bedgebied en een logiesfunctie. Zo verlaat men bij de uitgang van een appartement behalve het subbrandcompartiment tegelijk ook het brandcompartiment van die woning. Als bij het verlaten van dit appartement het aansluitende terrein niet direct is bereikt, moet de gemeenschappelijke verkeersruimte vanaf de uitgang van dat appartement een extra beschermde vluchtroute zijn. Deze eis is van toepassing ongeacht het aantal bewoners dat van de vluchtroute gebruik maakt.

Het tweede lid beperkt bij een woning die slechts via een enkele route kan worden ontvlucht, het risico dat die vluchtroute onbruikbaar wordt doordat een deur of raam open blijft staan. Omdat voordeuren van woningen niet zelfsluitend hoeven te zijn, bestaat de kans dat een vluchtend persoon de voordeur van een brandend appartement laat openstaan, met als mogelijk gevolg dat de vluchtroute voor andere personen geblokkeerd raakt door rook of vuur. Corridor- of galerijwoningen met één vluchtroute/trappenhuis zijn daarom alleen mogelijk indien de vluchtroute niet langs een voordeur of te openen raam van een ander appartement voert. De tweede zin geeft aan dat er een uitzondering geldt voor twee tegenover elkaar liggende deuren aan het begin van een extra beschermde vluchtroute.

Het derde lid regelt dat een vluchtroute als bedoeld in het eerste lid niet door een trappenhuis mag voeren.

Uitzonderingen op deze regel zijn gegeven in het vierde lid van dit artikel en in artikel 2.106, eerste (twee vluchtroutes) en vierde lid (veiligheidsvluchtroute). Het vierde lid regelt dat het onder bepaalde condities bij portiekwoningen is toegestaan om langs een beweegbaar constructieonderdeel van een ander appartement te vluchten. Zo nodig kunnen bij ministeriële regeling (nadere) voorschriften worden gesteld. Voor nadere informatie over de ontwikkelingen van de brandveiligheidsvoorschriften voor een portiek wordt verwezen naar het onderzoeksrapport Brandveiligheid portiekwoningen, Adviesbureau Nieman, juni 2010.

Het vijfde lid bepaalt voor de utiliteitsbouw, voor zover het eerste lid niet van toepassing is, dat indien in het subbrandcompartimenttussen de 38 en 150 personen aanwezig zijnen het aansluitende terrein bij de uitgang van het subbrandcompartiment nog niet is bereikt, de enkele vluchtroute een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Dit betekent dat bij het verlaten van het subbrandcompartiment tegelijk ook het brandcompartiment wordt verlaten. Op een extra beschermde vluchtroute mogen tussen de 38 en 150 personen aangewezen zijn. Deze grenswaarden komen voort uit de omzetting van de oude op de bezettingsgraadklassen gebaseerde voorschriften. In de tekst is gekozen voor meer dan 37 en ten hoogste 150, dit betekent hetzelfde en is een keuze om meer eenheid in de gebruikte formuleringen aan te brengen[Stb. 2011, 676].

Het zesde lid geeft de eis voor de maximale (al dan niet horizontale) loopafstand in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert. Deze loopafstand is niet groter dan de in de tabel aangegeven waarde (bij de meeste gebruiksfuncties 30 m). Als de vluchtroute in de besloten ruimte over een trap voert moet bij het bepalen van de totale loopafstand de loopafstand over de trap worden meegeteld. Dit volgt uit het begrip «loopafstand», zie de toelichting op artikel 1.1. Zodra de maximaal toegelaten loopafstand over de extra beschermde vluchtroute is afgelegd, moet een uitgang zijn gepasseerd en verder kunnen worden gevlucht over een veiligheidsvluchtroute, twee onafhankelijke vluchtroutes of tot het aansluitende terrein.

Het zevende lid geeft aan dat in een logiesgebouw een vluchtroute die door een trappenhuis voert altijd een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Is het te overbruggen hoogteverschil groter dan 12,5 m en is het trappenhuis een besloten trappenhuis, dan moet het trappenhuis een veiligheidstrappenhuis zijn als bedoeld in artikel 2.105, tweede lid.

Het achtste lid bepaalt dat een vluchtroute die door een trappenhuis voert bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 8 m een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Dit om te voorkomen dat het trappenhuis anders als schoorsteen zou kunnen functioneren en daarmee een eventuele brand zou aanwakkeren. Bij Stb. 2013, 75, is dit artikellid vervallen. Op grond van het eerste lid van artikel 2.104 moet elke vluchtroute vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment bij een logiesfunctie een extra beschermde vluchtroute zijn. In het zevende lid van artikel 2.104 werd dit voor een trappenhuis in een logiesfunctie nogmaals geregeld. In onderdeel T vervalt daarom dit overbodige zevende lid van artikel 2.104. De tabel 2.101 is overeenkomstig aangepast. Ook de verwijzing in artikel 2.106, eerste lid, naar artikel 2.104 is overeenkomstig aangepast.

Artikel 2.105 Veiligheidsvluchtroute

Het eerste lid geeft aan dat indien er meer dan 150 personen op een enkele vluchtroute zijn aangewezen, de vluchtroute buiten het subbrandcompartiment moet voeren over een veiligheidsvluchtroute. Ingeval sprake is van de uitgang van het subbrandcompartiment, dan is die uitgang tegelijk de uitgang van het brandcompartiment, omdat de veiligheidsvluchtroute per definitie niet in een brandcompartiment ligt. Het aantal personen dat op een veiligheidsvluchtroute is aangewezen behoeft niet te worden begrensd, omdat een dergelijke route voldoende bescherming biedt.

Het tweede lid bepaalt dat een vluchtroute die door een trappenhuis van een logiesgebouw voert bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 12,5 m een veiligheidsvluchtroute moet zijn. Dit om te voorkomen dat het trappenhuis anders als schoorsteen zou kunnen functioneren en daarmee een eventuele brand zou aanwakkeren.

Artikel 2.106 Tweede vluchtroute

Het doel van een tweede vluchtroute is het veilig kunnen vluchten als één van de twee routes bij brand onbruikbaar wordt. Dit doel zou met een beroep op gelijkwaardigheid (artikel 1.3) ook kunnen worden bereikt door detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen. Wanneer die tweede vluchtroute er is kan zonder een beroep op gelijkwaardigheid worden volstaan met minder zware eisen dan wanneer er slechts een enkele vluchtroute is.

Het eerste lid geeft de voorschriften voor het geval er een tweede onafhankelijke vluchtroute isbuiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint. Vanaf het punt dat één van de vluchtroutes een deur naar een andere ruimte buiten het subbrandcompartiment passeert, en de vluchtroutes verder door verschillende ruimten voeren, is er sprake van twee onafhankelijke vluchtroutes. Vanaf dat punt zijn de eisen voor een beschermde, een extra beschermde, of een veiligheidsvluchtroute op die vluchtroute niet meer van toepassing. Daarmee is vanaf dat punt ook de beperking op het aantal personen dat gebruik mag maken van de vluchtroute vervallen. De twee vluchtroutes moeten tot het aansluitende terrein van elkaar gescheiden blijven (dus niet door de zelfde ruimte lopen) tenzij er over dat samenlopende deel sprake is van een veiligheidsvluchtroute (zie het vierde lid). Uitzondering op het niet meer van toepassing zijn van de eisen voor een extra beschermde vluchtroute is de situatie dat in de vluchtroute een hoogteverschil van meer dan 8 m moet worden overbrugd. Ook indien er twee vluchtroutes zijn blijft het achtste lid van artikel 2.104 namelijk van toepassing. Op grond van Stb. 2013, 75, is dit artikellid gewijzigd vanwege het vervallen van het zevende lid van artikel 2.104.

Het tweede lid stelt dat de twee vluchtroutes buiten het brandcompartiment waar de vluchtroutes beginnen niet door eenzelfde brandcompartiment mogen voeren.

Het derde lid biedt de praktijk de mogelijkheid om bij een subbrandcompartiment met één uitgang toch gebruik te kunnen maken van twee onafhankelijke vluchtroutes. De vluchtroutes mogen direct vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment door dezelfde ruimte voeren (onderdeel a) voordat zij als volledig onafhankelijk vluchtroutes verder gaan. Dit is toegestaan op voorwaarde dat de twee vluchtroutes in verschillende richtingen naar de twee uitgangen voeren (onderdeel d). Deze eis voorkomt dat alsnog in één richting moet worden gevlucht, omdat er aan de ene kant van de ruimte twee pal bij elkaar liggende uitgangen zijn en aan de andere kant een doodlopend eind. Verder moet deze ruimte een beschermde vluchtroute zijn als de ruimte binnen een brandcompartiment ligt en een extra beschermde vluchtroute buiten het brandcompartiment (onderdeel b). Bij een besloten ruimte is de loopafstand in die ruimte beperkt tot ten hoogste 30 m voor elke vluchtroute (onderdeel c). De beperking van het aantal personen op dit gedeelte van de vluchtroutes is niet van toepassing. Om te kunnen spreken van twee verschillende richtingen moet er sprake zijn van een minimale hoek (bijvoorbeeld 90°) of moeten de routes door bijvoorbeeld door een muur van elkaar zijn afgeschermd. Het mag dus niet zo zijn dat als de ene vluchtroute door brand onbruikbaar wordt de andere vluchtroute direct of heel snel daarna ook onbruikbaar wordt.

Het vierde lid , maakt het mogelijk dat twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is, omdat eenmaal op de veiligheidvluchtroute aangekomen een veilige plaats is bereikt waarlangs op een veilige manier het aansluitende terrein kan worden bereikt.

Het vijfde lid beperkt de mogelijkheid voor een veiligheidsvluchtroute in een woongebouw tot een veiligheidstrappenhuis.

Artikel 2.107 Inrichting vluchtroute

Dit artikel geeft de nadere eisen voor de inrichting van een vluchtroute.

Het eerste lid regelt de compartimentering (rookwerende deuren) in de beschermde of extra beschermde vluchtroute door het voorschrijven van brand- en rookscheidingen tussen in de vluchtrichting op elkaar aansluitende verkeersruimten. De wbdbo van 20 minuten zal bij elke (virtuele of concrete) ruimtelijke afscheiding tussen die ruimten gerealiseerd moeten worden. Daarbij moet in dit geval uitsluitend rekening worden gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid met betrekking tot de afdichting.Bij een scheiding tussen brandcompartimenten op de vluchtroute is de algemene eis van 30 of 60 minuten die tussen brandcompartimenten geldt (zie artikel 2.84) maatgevend. In artikel 2.107, eerste lid, (nieuwbouw) is bij Stb. 2014, 51 de «beschermde of extra beschermde vluchtroute» vervangen door «besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert». Met deze wijziging richt het voorschrift zich op de bescherming tegen rookdoorgang tussen besloten vluchtroutes en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte. Bij een niet-besloten ruimte zal tenslotte geen of slechts in beperkte mate sprake zijn van rook. Met deze wijziging is een onbedoelde verzwaring ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 gecorrigeerd.

Het tweede lid is bedoeld om te waarborgen dat twee naast elkaar lopende vluchtroutes afdoende van elkaar gescheiden blijven zodat ze op hetzelfde moment onbruikbaar kunnen worden door brand of rook

Het derde lid biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan de rookdoorgang van de in het eerste en tweede lid bedoelde brandwerende scheidingsconstructies.

Het vierde lid geldt voor een trappenhuis in een woongebouw waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, maar geen veiligheidsvluchtroute. Deze ruimte moet zo min mogelijk brandbare materialen bevatten. Dit betekent in de praktijk dat de vloeren en wanden van die ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, de trappen van onbrandbaar materiaal (staal of steenachtig) en de deuren en kozijnen slechts in beperkte mate van hout mogen zijn. De grens ligt bij een vuurlast van ten hoogste 3500 MJ per bouwlaag. De bovenste bouwlaag van het trappenhuis zal naar verwachting de bouwlaag zijn met de hoogste vuurlast. De brandbare dakbedekking zal kunnen bijdragen aan de brand. Omdat de dakconstructie hoog in het trappenhuis ligt, levert de vuurlast van de dag betrekking minder gevaar op dan de vuurlast van overige constructieonderdelen en kan daarop een reductie van 50% worden toegepast. In de laatste volzin van het vierde lid is aangegeven [Stb. 2011, 676], dat de permanente vuurlast van 3500 MJ niet geldt voor een portieksituatie als bedoeld in artikel 2.104, vierde lid. Dit is de uitzondering voor portieken die ook in het Bouwbesluit 2003 was opgenomen.

Het vijfde lid geldt voor elke veiligheidsvluchtroute. In dit lid is voorgeschreven dat de ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert zo min mogelijk brandbare materialen moet bevatten. Dit betekent in de praktijk dat indien de deuren, kozijnen, leuningen en plinten van hout zijn, de vloeren en wanden van die ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn. De grens ligt bij een permanente vuurbelasting van 3500 MJ. Op een veiligheidsvluchtroute is het, om de daar beoogde extra veiligheid te waarborgen, in tegenstelling tot een beschermde of extra beschermde vluchtroute in een woongebouw, niet toegestaan om een reductie van 50% toe te passen bij de bepaling van de vuurlast van het dak. Omdat in de begripsbepaling van permanente vuurlast naar NEN 6090 wordt verwezen, is de verwijzing in vierde en vijfde naar dit normblad overbodig. Deze verwijzing is daarom bij Stb. 2013, 75, vervallen.

Het zesde lid bevat een voorschrift voor hogere gebouwen. Tussen het horizontale deel van de vluchtroute en een trappenhuis moet er bij gebouwen waarin meer dan 20 m hoogteverschil moet worden overbrugd een afzonderlijke verkeersruimte met een beschermde vluchtroute of een open ruimte (rooksluis) van ten minste 2 m lengte zijn. Deze ruimte of rooksluis moet het voortijdig binnendringen van rook in het trappenhuis voorkomen. Om die reden moeten deuren die op het trappenhuis uitkomen zelfsluitend zijn (zie artikel 6.26). De hoogteverschil in het Bouwbesluit 2003 van ten minste 50 m is voortaan 20 m. Er is voor gekozen dit voorschrift voortaan al bij een hoogteverschil van meer dan 20 m te laten gelden om te voorkomen dat het trappenhuis anders als schoorsteen zou kunnen functioneren en daarmee het vluchten en de hulpverlening zouden belemmeren.

Het zevende lid is een aanvulling op het zesde lid en uitsluitend van toepassing op woongebouwen met een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd. Het voorschrift geeft aan dat de uitgang van een appartement dan niet direct mag uitkomen op de in het zesde lid genoemde ruimte ofwel rooksluis. De reden van dit voorschrift is te voorkomen dat een appartement dat geen zelfsluitende voordeur behoeft te hebben, als gevolg van de openstaande voordeur direct zal kunnen volstromen met rook en dus snel onbruikbaar wordt.

Lid acht geeft aan dat een vluchtroute voldoende breed en hoog moet zijn. Het gaat dan zowel om de hoogte en breedte van ruimten waardoor een vluchtroute voert als om de hoogte en breedte van deuropeningen (doorgangen). Voor woonwagens, niet in een logiesgebouw gelegen logiesfuncties, overige gebruiksfuncties en tunnels geldt een afwijkende grenswaarde voor de hoogte.

Het negende lid van dit artikel geldt voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m, en geeft aan dat de vrije doorgang van een vluchtroute, voor zover deze niet over een trap of door een doorgang zoals een uitgang ofwel deuropening voert, ten minste 1,2 m breed moet zijn. Deze eis heeft betrekking op de vrije doorgang van alle ruimten waardoor de vluchtroute voert (vanaf ieder punt in een wegtunnelbuis tot het aansluitende terrein).

Het tiende lid stelt dat een trap in een woongebouw waarop ten minste 600 m² aan verblijfsgebied is aangewezen een breedte van ten minste 1,2 m moet hebben. Dit is belangrijk omdat bij de woonfunctie geen eisen aan de opvang- en doorstroomcapaciteit van de vluchtroute worden gesteld.

Het elfde lid is voor de gezondheidszorgfunctie bedoeld en geldt voor de gehele vluchtroute. Aan bed gebonden patiënten moeten snel met bed en toebehoren horizontaal naar een ander brandcompartiment kunnen worden gebracht. De toegangen moeten daarvoor ruim genoeg zijn. Het in het voorschrift genoemde blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m (lxhxb) representeert daarbij een standaardziekenhuisbed.

Het twaalfde lid bepaalt dat een niet besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert een zodanige capaciteit van de afvoer van warmte en rook, en de toevoer van verse lucht heeft, dat die ruimte gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten en voor het uitvoeren van reddings- en bluswerkzaamheden. In een niet besloten ruimte behoeft niet te worden voorzien in een aantal brandveiligheidsvoorzieningen die wel in een besloten ruimte nodig zijn. Om te kunnen afzien van deze brandveiligheidsvoorzieningen moet de ruimte gedurende langere tijd (in het algemeen is 30 á 60 minuten voldoende) veilig blijven voor vluchten vanuit de rest van het gebouw en voor de inzet van hulpdiensten. Omdat niet besloten ruimten waardoor een vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium op talloze manieren kunnen worden ontworpen, kan de capaciteit van de benodigde warmte- en rookafvoer (al dan niet mechanisch) uit deze ruimten niet met een eenduidige prestatie-eis worden bepaald. Voor de grenswaarden waarbij het verblijven in die ruimte nog juist mogelijk is, kunnen volgens het TNO Bouw rapport 1997-CVB-R0883 als veilige waarden worden aangehouden:

- de stralingsflux niet groter dan 1 kW/m³; - de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en - de zichtlengte niet kleiner dan 100 m.

Het is aanvaardbaar als in de directe omgeving van een brandhaard of rooklaag niet aan (al) deze veilige waarden wordt voldaan als de vluchtroute door deze ruimte in twee verschillende richtingen mogelijk is. Vluchtende personen kunnen dan immers een kant op vluchten die niet langs de brandhaard of rookpluim voert. Dit geldt ook wanneer de vluchtroute voert door een brede ruimte (bijvoorbeeld een als niet besloten ruimte aangemerkt atrium) zodat men met voldoende afstand langs een brandhaard of rookpluim kan vluchten. Bij de (traditionele) galerijen met een vlak plafond, niet-afsluitbare openingen in de langsgevel en een galerijdiepte van ten hoogste 1,8 m, kan met behulp van onderdeel 5.3 van NEN 1087 de benodigde capaciteit van de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook worden bepaald. Deze capaciteit moet om als niet besloten ruimte te kunnen worden aangemerkt, ten minste 100 dm³/s per m³ netto inhoud van die ruimte zijn, terwijl er langs het plafond van de galerij geen uitstekende randen of andere belemmering aanwezig mogen zijn. Een belemmering kan leiden tot stagnatie van de rookafvoer stagneert of ophoping van hete rook onder het plafond van de galerij. Onder galerijdiepte wordt hier verstaan de grootste afstand tussen de opening(en) in de langsgevel en de achterliggende scheidingswand, gemeten loodrecht langs de langsgevel.

Artikel 2.108 Capaciteit van een vluchtroute

Het eerste lid regelt het aantal personen dat, afhankelijk van de breedte, op een vluchtroute mag zijn aangewezen. Dit is de doorstroomcapaciteit uitgedrukt in personen per meter. Op grond van het tweede lid kan hieraan bijvoorbeeld een tijdscriterium worden toegevoegd (aantal personen, per meter, per minuut). Bij het vaststellen van dat aantal is gebruik gemaakt van het «Onderzoek doorstroomcapaciteit deuren» TU Delft, 28 april 2009. In dit eerste lid zijn vijf verschillende criteria opgenomen afhankelijk van het soort doorstroomopening. Een doorstroomcapaciteit van 90 personen per meter vrije breedte van een doorgang komt het meest voor. Dit betekent dat een deuropening met een vrije breedte van 0,85 m een doorstroomcapaciteit heeft van 0,85 m x 90 personen/m = 76 personen. Het eerste lid, onderdeel c, is gericht op deuropeningen met een deur die niet volledig geopend kan. Indien de deur niet verder geopend kan worden dan een hoek van 135 graden, moet worden uitgegaan van dezelfde doorstroomcapaciteit als bij een ruimte (onderdeel b). Een openstaande deur kan de doorstroming namelijk vergelijkbaar met de wanden van een ruimte beïnvloeden. Dit is ook het geval bij een dubbele deur waarvan één of twee onderdelen een beperkte openingshoek bieden. Voor de doorstroomcapaciteit van een trap speelt een niet beloopbaar gedeelte daarvan (bijvoorbeeld bij een spiltrap) geen rol. Daarom moet bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit, een gedeelte van de trap waarvan de aantrede smaller is dan 0,17 m buiten beschouwing blijven (onderdeel a).

Het tweede lid geeft een mogelijkheid om bij ministeriële regeling af te wijken van de voorschriften van het eerste lid bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit van het deel van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint. Ook het toevoegen van een tijdscriterium is te beschouwen als een afwijking van het eerste lid, dat wel een eis aan de capaciteit stelt maar zich niet uitspreekt over de tijd.

Het derde lid geeft een functionele eis voor een bouwwerk geen gebouw zijnde. Elk gedeelte van een vluchtroute moet een zodanige doorstroomcapaciteit hebben, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.

Artikel 2.109 Verbouw

Artikel 2.109 geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 2.102 tot en met 2.108 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat daarbij moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Verder volgt uit artikel 1.12 dat op het geheel vernieuwen de volledige nieuwbouwparagraaf van toepassing is. Dat artikel bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

Artikel 2.110 Tijdelijke bouw

Dit artikel stelt dat voor een nieuw te bouwen tijdelijk bouwwerk de artikelen 2.102 tot en met 2.106 en 2.108 van deze afdeling onverkort van toepassing zijn. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 2.12.2 Bestaande bouw

Artikel 2.111 tot en met artikel 2.118

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw. Ook hier geldt de nieuwe systematiek. De verschillen met de nieuwbouwvoorschriften hebben betrekking op de beschermde route, weerstand tegen rookdoorgang (wtrd), loopafstanden, twee vluchtroutes en opvang- en doorstroomcapaciteit. Zie ook het algemeen deel van de toelichting. De grenswaarden en inrichtingseisen van de vluchtroutes zijn grotendeels gelijk aan de oude eisen voor bestaande bouw. Nieuw zijn de voorschriften voor de opvang- en doorstroomcapaciteit. Als een bestaand bouwwerk niet kan voldoen aan deze voorschriften, dan zullen gebruikstechnische oplossingen kunnen worden overwogen. Als dat niet mogelijk is kan gebruiksbeperking worden toegepast. Deze voorschriften zijn vooralsnog niet uitgewerkt en aan die voorschriften kan dan ook geen toepassing worden gegeven. In aanvulling daarop wordt nog op het volgende gewezen: In het eerste en tweede lid van artikel 2.112 wordt gesproken van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer [Stb. 2011, 676]. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat een vloer verschillende gedeelten kan omvatten. Op die gedeelten van een vloer die niet bestemd zijn voor personen behoeft geen vluchtroute te beginnen. Ook voor de celfunctie en de gezondheidsdzorgfunctie voor bedgebied geldt het vierde lid [Stb. 2011, 676]. Opgemerkt wordt dat in het zesde lid het aantal personen waarbij ten minste twee uitgangen nodig zijn 225 is [Stb. 2011, 676]. Dit bekent dat de eis voor wat betreft het niveau te vergelijken is met het niveau van het Bouwbesluit 2003. De grenswaarden in de artikelen 2.113 tot en met 2.115 voor bestaande bouw zijn vergelijkbaar met het niveau van het Bouwbesluit 2003 [Stb. 2011, 676]. Er wordt op gewezen dat artikel 2.118, capaciteit van een vluchtroute, geen prestatie-eisen bevat maar de mogelijkheid om bij ministeriële regeling voorschriften te kunnen geven [Stb. 2011, 676].

Met het nieuwe begrip veiligheidsroute dat is geïntroduceerd bij Stb. 2013, 75, wordt een onbedoelde verzwaring ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 gecorrigeerd (zie ook de toelichting op onderdeel A van at Staatsblad). In de artikelen 2.115 en 2.116 is het begrip veiligheidsvluchtroute daarom vervangen door veiligheidsroute. In tabel 2.111 is het kopje van artikel 2.113 overeenkomstig aangepast. Opgemerkt wordt dat de tabel verder niet is gewijzigd.

Artikel 2.117, eerste lid, (bestaande bouw) is bij Stb. 2014, 51 overeenkomstig het nieuwbouwvoorschrift (artikel 2.107, eerste lid) gewijzigd.

Afdeling 2.13 Hulpverlening bij brand

§ 2.13.1 Nieuwbouw

Algemeen

Deze afdeling ziet toe op de periode vanaf de aankomst van de hulpverlening bij het bouwwerk. In beginsel zou dan iedereen reeds een veilige plaats hebben bereikt. Het kan echter zijn dat de hulpverlening alsnog het gebouw moet doorzoeken op achtergebleven personen en hulp moet bieden bij de ontruiming. Ook moet de brandweer met het benodigde materieel de plaats van de brand kunnen bereiken.

Artikel 2.119 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden, maakt duidelijk dat er ten alle tijden zo moet worden gebouwd dat hulpverleners hun werk kunnen doen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 2.120 Brandweerlift

Artikel 6.39 eist bij een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau de aanwezigheid van een brandweerlift (zie voor het begrip «brandweerlift» artikel 1.1). Artikel 2.120 stelt eisen aan het bouwwerk om de brandweer in staat te stellen in geval van brand langs veilige weg de hoger gelegen verdiepingen van een gebouw te bereiken.

Op grond van het eerste lid moet op elke verdieping een zogenoemde «brandwerende lobby» voor de brandweerlift zijn. Via de extra beschermde vluchtroute, die ter plaatse van de lift functioneert als brandwerende lobby, kan de brandweer op veilige wijze brand op een daarboven gelegen verdieping bereiken, om deze te doorzoeken naar achtergebleven personen en een beginnende brand te kunnen bestrijden met materieel dat met de lift is aangevoerd. Dit voorschrift geldt alleen voor verdiepingen niet voor de begane grond.

Het tweede lid geeft aan dat de voordeur van een woning niet mag grenzen aan het voorportaal van een brandweerlift.

Artikel 2.121 Loopafstand

Dit artikel heeft als doel te voorkomen dat de brandweer te grote afstanden moet overbruggen om met geredde mensen een veilige plek te kunnen bereiken of met het gangbare materieel een beginnende brand te kunnen blussen. De loopafstand naar de toegang van een trappenhuis is hoogstens 75 m ( eerste lid ). De loopafstand naar een brandweerlift is hoogstens 120 m ( tweede lid ).

Artikel 2.122 Hulppost

Met dit voorschrift wordt bepaald hoeveel hulpposten in een tunnelbuis nodig zijn. De loopafstand vanaf ieder punt in de tunnel tot een hulppost mag niet groter zijn dan 75 m (eerste lid). De onderlinge afstand tussen twee hulpposten mag 100 m zijn. Een hulppost is een ruimte waar men terecht kan voor onder meer alarmering, communicatie (artikel 6.42), een draagbaar brandblusapparaat (artikel 6.31) en een aansluiting op een droge blusleiding (artikel 6.29). Een hulppost is niet bedoeld om weggebruikers direct te beschermen tegen de gevolgen van brand.

Artikel 2.123 Verbouw

Dit artikel geeft een voorschrift voor het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. In dergelijke gevallen zijn de artikelen 2.120 en 2.121 van overeenkomstige toepassing. Het minimum niveau dat moet worden aangehouden is echter het rechtens verkregen niveau. Zie artikel 1.1 voor een toelichting op het begrip «rechtens verkregen niveau». Uit artikel 1.12 volgt dat artikel 2.122 bij verbouw van een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m onverkort van toepassing is en dat op het geheel vernieuwen de volledige nieuwbouwparagraaf van toepassing is. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat, tenzij anders is bepaald, de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn.

Artikel 2.124 Tijdelijke bouw

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.120 en 2.121 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 1.14 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

§ 2.13.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.125 en 2.126

Zie de toelichting op paragraaf 2.13.1. Nieuwbouw. De voorschriften in deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing op wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Afdeling 2.14 Hoge en ondergrondse gebouwen, nieuwbouw

Algemeen

Hoewel in de andere afdelingen van hoofdstuk 2 geen verbod is opgenomen op het toepassen van die voorschriften op een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, zijn niet al die voorschriften volledig geschikt voor dergelijke hoge of ondergrondse bouwwerken. Om die reden is in deze afdeling bepaald dat dergelijke bouwwerken altijd ten minste het zelfde veiligheidsniveau moeten hebben als beoogd met die voorschriften. In deze afdeling zijn geen voorschriften opgenomen voor verbouw of tijdelijke bouw. Voor het bepalen van het brandveiligheidsniveau moeten bij verbouw en bij tijdelijke bouw de relevante artikelen uit de in artikel 1.135 genoemde paragrafen worden geraadpleegd.

Artikel 2.127 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk brandveilig is, is gericht op het waarborgen van de veiligheid van hoge en ondergrondse bouwwerken.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 2.128 Inrichting

Het eerste lid bepaalt dat gebouwen met een vloer hoger dan 70 m dezelfde mate van brandveiligheid moet hebben als beoogd met de paragrafen 2.2.1, 2.8.1, 2.9.1, 2.10.1 2.11.1, 2.12.1 en 2.13.1. Voor zover in de genoemde paragrafen opgenomen concrete prestaties niet geschikt zijn voor hogere gebouwen, moet in de aanvraag om vergunning voor het bouwen worden aangetoond hoe het beoogde brandveiligheidsniveau wordt gerealiseerd.

Het tweede lid geeft een soortgelijk voorschrift als het eerste lid, maar dan voor bouwwerken met een vloer die lager ligt dan 8 m onder het meetniveau.

Afdeling 2.15 Inbraakwerendheid, nieuwbouw

Artikel 2.129 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen woonfunctie, niet zijnde een woonwagen biedt weerstand tegen inbraak, is vergeleken met het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle woonfuncties met uitzondering van de woonwagen.

Artikel 2.130 Reikwijdte

Deuren, ramen, kozijnen en vergelijkbare constructieonderdelen van woningen moeten wanneer zij bereikbaar zijn voor inbrekers inbraakwerend zijn, volgens weerstandsklasse 2, bepaald volgens NEN 5096. Hiermee wordt gewaarborgd dat nieuw te bouwen woningen worden voorzien van deugdelijk hang- en sluitwerk en van deugdelijke kozijnen waarop dat hang- en sluitwerk is aangebracht. Hoogwaardig hang- en sluitwerk werkt preventief tegen inbrekers en levert daarmee een bijdrage aan de sociale veiligheid. De eisen gelden ook voor constructieonderdelen in een scheidingswand tussen een woning en een ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie of aangrenzende gemeenschappelijke ruimte. Voorbeelden van zo’n aangrenzende gebruiksfunctie die met de woning in verbinding staat, zijn praktijk- of kantoorruimten en garages. Bij een woning in een woongebouw kan men denken aan de scheiding tussen een woning en een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte zoals een portiek. Bij weerstandsklasse 2, bepaald overeenkomstig NEN 5096, heeft een gelegenheidsinbreker met gebruikelijk gereedschap in het algemeen ten minste 3 minuten nodig om in de woning in te breken.

Artikel 2.131 Verbouw

Artikel 2.131 geeft een voorschrift voor inbraakwerendheid bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Met dit voorschrift wordt voorkomen dat de bestaande mate van inbraakwerendheid van een woning, door een verbouwing wordt ondergraven. In dergelijke gevallen is artikel 2.130 van overeenkomstige toepassing waarbij moet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Zie voor een toelichting op het rechtens verkregen niveau de toelichting op artikel 1.1. Op het geheel vernieuwen zijn de nieuwbouwvoorschriften onverkort van toepassing. Artikel 1.12 bepaalt namelijk dat tenzij anders is bepaald de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn. Zie hiervoor de toelichting op artikel 1.12.

Afdeling 2.16 Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied, nieuwbouw

Algemeen

Deze afdeling maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling in zogenoemde veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden eisen te stellen met oog op het veilig kunnen vluchten bij een brand, een ontploffing of een drukgolf in een dergelijke zone of gebied. Met het opnemen van deze afdeling is uitvoering gegeven aan een wens van de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2008/2009, 30 373, nr. 35). Voor een toelichting op de begrippen «veiligheidszone» en «plasbrandaandachtsgebied» wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.

Artikel 2.132 Aansturingsartikel

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat een te bouwen bouwwerk in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied of boven de volle breedte van een basisnetroute indien de veiligheidszone slechts een deel van de breedte van de basisnetroute betreft zodanig moet zijn dat het daaruit voortvloeiend risico voor de gebruikers van het gebouw beperkt is. Dit betekent dat men bij een calamiteit in een dergelijk gebied, in het bouwwerk zodanig is beschermd dat veilig uit het bouwwerk kan worden gevlucht.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 2.133 Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied

Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op het voorkomen of beperken van de gevolgen van een van buiten het bouwwerk komende brand, ontploffing of drukgolf voorschriften worden gegeven omtrent het bouwen in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied. Uit het opschrift van afdeling 2.17 en het eerste lid van artikel 2.132 blijkt dat die voorschriften (alleen) betrekking hebben op nieuw te bouwen bouwwerken.

Artikel 2.133a  Verbouw

Er wordt op gewezen dat voorschriften voor plasbrandaandachtsgebieden een verbouwartikel 2.133a bevatten [Stb. 2011, 676]. Hiervoor is gekozen, omdat anders op grond van de algemene regel (artikel 1.12) het nieuwbouwniveau van toepassing zou zijn. Door bij verbouw uit te gaan van het rechtens verkregen niveau wordt voorkomen dat verbouw niet kan doorgaan omdat niet aan het nieuwbouwniveau kan worden voldaan. Met het rechtens verkregen niveau wordt in principe voorkomen dat het bestaande veiligheidsniveau wordt ondergraven.

Afdeling 2.17 Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 2.17.1 Nieuwbouw

Artikel 2.134 Aansturingsartikel

De functionele eis van het eerste lid , een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd, komt qua strekking overeen met de functionele eis uit het Bouwbesluit 2003.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de voorschriften van deze afdeling. Deze voorschriften gelden voor alle wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Artikel 2.135 Verkeersveiligheid

Het eerste lid sluit aan op de gebruikstechnische eisen van artikel 6.45, tweede tot en met vierde lid.

Het gaat in het tweede lid niet om een hellingbaan voor personen maar om een hellingbaan voor motorvoertuigen. Dit is een ander soort hellingbaan dan in afdeling 2.4 (overbrugging van hoogteverschillen). In die afdeling gaat het alleen om het overbruggen van hoogteverschillen door niet in een gemotoriseerd voertuig gezeten personen (dus lopend of bijvoorbeeld in een kinderwagen of rolstoel).

Bij een incident in een wegtunnel is het noodzakelijk dat hulpverleningsdiensten een vrachtwagen met een hulpverleningsvoertuig kunnen passeren. De in het derde lid vastgelegde minimum afmetingen van een wegtunnelbuis waarborgen dat daarvoor voldoende ruimte is.

§ 2.17.2 Bestaande bouw

Artikelen 2.136 en 2.137

Zie de toelichting op paragraaf 2.14.1. Nieuwbouw.

Artikel 2.137, dat eisen stelde aan buiten de bebouwde kom gelegen wegtunnels is bij Stb. 2014, 137 geschrapt. Dit voorschrift zou namelijk een onevenredig zware consequenties voor bestaande wegtunnels hebben, als het op grond van het overgangsrecht van artikel 9.2 van het Bouwbesluit 2012 op 1 mei 2014 in werking zou zijn getreden. Bovendien volgde het voorschrift niet uit de richtlijn tunnelveiligheid (richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEG L 101/56)).

Uw gekozen filters:

Type

Gebruiksfuncties